Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergadering van notabelen te Rouaan.

van openbare eerambten uitgesloten zouden worden. *) Er lag iets vernederends in deze overdreven toegevendheid des konings. die opnieuw de belangen zijner oude getrouwe aanhangers ten offer bracht aan den wenschomde katholieken te verzoenen; zijn doel bereikte hij intusschen volkomen.

De haat der ligue tegen Hendrik IV werd steeds minder, zijne macht in Frankrijk groeide met eiken dag aan en ook Moyenne besloot thans, de hem aangeboden buitengewoon gunstige vredesvoorwaarden aan te nemen. Den 31™ Januari begaf hij zich naar hel slot Monceaux, om zich geheel met zijn ouden vijand te verzoenen.

"Zijl gij hel, mon cousin? Waak ik of droom ik?" riep Hendrik IV hem vroolijk toe, terwijl hij den vroegeren tegenstander bijzonder vriendelijk ontving. Beiden waren het spoedig eens. zij maakten te zamen eene wandeling door het park van het kasteel, waarbij de dikke, onbeholpene en bovendien aan heupjicht lijdende Mayenne uit beleefdheid al zijn best deed om met den krachtigen koning in den pas te blijven. Eindelijk moest hij, in zijn zweet badend, de wandeling opgeven. Hendrik IV sloeg hem lachend op den schouder met de woorden: «Dal is, bij God! het eenige onaangename, dat gij ooit van mij te verduren zult hebben."

Alle rijksgrooten, met uitzondering van den hertog van Mercoeur, onderwierpen zich thans. Alleen de oorlog legen Spanje duurde nog voort en baarde den koning ernstige zorg. Hij werd door zulk een nijpend geldgebrek gekweld, dat hij eens aan zijn vriend Rosny schreef: »lk sta tegenover den vijand en heb nauwelijks een paard, waarop ik vechten, of eene volledige wapenrusting, die ik aantrekken kan. Mijne hemden zijn alle gescheurd, mijne kleederen hebben galen aan de ellebogen en ik eet nu bij dezen, dan bij genen, dewijl mijne hofmeesters sinds zes maanden geen geld ontvangen hebben en de tafel niet meer kunnen aanrichten.".

liet natuurlijkste middel om een einde aan dat geldgebiek te maken, zou geweest zijn de slaten-generaal bijeen te roepen, doch hiertoe kon Hendrik IV niet besluiten. Hij. de veel geprezen vorst, was evenmin een vriend der volksvrijheid als een geloofsheld. Elke beperking der volstrekte koninklijke macht stuitte hem legen de borst. Hij vermeed dan ook de bijeenroeping van de staten, dewijl hij zeer goed voorzien kon, dat deze aan de bewilliging van gelden voorwaarden vaslknoopen en eene poging wagen zouden om hunne rechten te bevestigen, wellicht om die uit te breiden.

Gemakkelijker zou het zijn, met eene vergadering van notabelen het eens Ie worden en zulk eene vergadering riep Hendrik IV dan ook in October 155)6 le Rouaan bijeen. Hij spreidde, naar gewoonte, tegenover de edelen eene buitengewone beminlijkheid ten toon.

»lk heb u niet bijeengeroepen, om alleen uw raad le vernemen, maar om dien op le volgen en om mij aan uwe handen, aan uwe voogdijschap toe le vertrouwen."

Kon een koning meer voorkomend, ja nederbuigend zijn?

Wat deze schoone woorden beleekenden, bleek uil het antwoord hetwelk Hendrik IV aan zijne minnares Gabriëlle d'Eslrées gaf, toen deze, die achter een voorhangsel verborgen, zijne redevoering mede aangehoord had, hem verweet, dat hij zich onder de voogdijschap der nolabelen wilde stellen. Lachend antwoordde hij: «Dat heb ik wel gezegd, maar natuurlijk met het zwaard aan de zijde!"

De notabelen gedroegen zich tegenover zulk een beminlijken en nederbuigenden koning dienstvaardig en volgzaam. Toch konden zij niet veel doen tol leniging van 's konings geldelijken nood; ten gevolge hiervan werd de oorlog tegen Spanje ook niet krachtig voortgezet, hoewel Hendrik IV reeds

*) Waarschijnlijk maakte ook de terugroeping der Jezuïeten, die kort daarop plaats liad, deu inhoud eeuer geheime bepaling van het niet den paus gesloten verdrag uit.

Sluiten