Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Frederik II. Oorlog tegen de Dithmarschen.

Nauwelijks had Christiaan III dan ook de oogen gesloten, of hij valte het plan op om het land der Dilhmarschen (e veroveren. Zijn neef. koning Frederik II, maakte gemeene zaak met hem en reeds den 29"" April 1559 sloten hertog Adolf, zijn broeder Johan en de Deensche koning een verdrag over de verovering en verdeeling van hel land der Dilhmarschen.

De krijgstoerustingen in Sleeswijk-Holstein en Denemarken maakten de achterdocht der Dithmarschen en van hun beschermheer, den aartsbisschop van Bremen, gaande; dewijl de bondgenooten echter in krachtige bewoordingen hunne vredelievende gezindheid betuigden, stelden de argelooze boeren zich weder gerust; zij sloegen dwazelijk geloof aan de woorden der vorsten en verzuimden het nemen van krachtige maatregelen ter verdediging. Eensklaps werden zij op de pijnlijkste wijze verrast door eene oorlogsverklaring der drie vorsten, die onmiddellijk door een inval van hel verbonden leger in hun land gevolgd werd.

Tevergeefs trachtten de aartsbisschop van Bremen en de stad Lubeck door hunne tusschenkomst den oorlog te voorkomen, tevergeefs verdedigden de Ditmarschen zich met al den moed der wanhoop. Tot hun ongeluk had een warm voorjaar de slooten en moerassen doen uitdrogen, hierdoor waren zij van hunne beste verdedigingsmiddelen beroofd en niet in slaat aan de overmacht het hoofd te bieden. Nadat hun geheele land door de onmenschelijke vijanden verwoest was, nadat hunne dorpen uitgeplunderd en plat gebrand waren, kwamen de Dilhmarschen in onderwerping.

Hertog Adolf van Holstein droeg den dapperen boereu zulk een doodelijken haat toe, dat hij hen allen met vrouwen en kinderen uitroeien en alle gevangenen als oproermakers ombrengen wilde. Hiertegen echter verzette zich Johan Ranzau, die het Deensch-Holsleinsche leger als opperbevelhebber tegen de Dithmarschen had aangevoerd, en ook koning Frederik II eischte volgens het bondsverdrag een derde deel der gevangenen voor zich, om hen van den dood te redden.

Johan Ranzau had zijne slem met zooveel ernst en verontwaardiging tegen dit schandelijke plan verheven, dat hertog Adolf hel niet durfde uitvoeren. Hij schonk den overwonnenen genade, mits zij zich onvoorwaardelijk overgaven en voor eene misdaad, die zij nooit begaan hadden, vergiffenis vroegen.

De arme boeren moesten die harde voorwaarden aannemen: den 30"' Juni 1559 verschenen 4000 Dithmarschen, — de overigen waren deels in den strijd gevallen, deels bij de verwoesting van de dorpen vermoord — die knielend hunne wapenen overgaven en om vergiffenis smeekten.

Zoo verloren de Dithmarschen in één enkelen, korten en ongelukkigen oorlog hunne vrijheid, die zij zoolang op de roemrijkste wijze hadden verdedigd.

Een tweede, zevenjarige oorlog tegen Zweden (1563—1570) werd verooïzaakt door de ijdelheid en de eerzucht van Frederik II, die het Zweedsche wapen weder aangenomen had. Hij werd van beide zijden met groote verbittering gevoerd en kostte veel edel bloed, eer in hel jaar 1570 de vrede van Stel tin, gesloten door bemiddeling van Frankrijk en van den keizer, aan de beide landen de rust terugschonk. Frederik II liet hierbij alle aanspraken op Zweden varen, doch behield Noorwegen, Schonen, Halland, Blekingen en Gothland met eenige andere gewesten en met het recht om drie kronen in zijn wapen te voeren.

In weerwil van de kostbare oorlogen, door Frederik II gevoerd, werd de financiëele toestand van Denemarken gunstiger. Handel en nijverheid begonnen te bloeien, de wetenschappen kwamen in aanzien en Nederlandsche vluchtelingen vonden in Denemarken eene veilige schuilplaats tegen Alva's bloedige vervolging. De rijksraad Peter Oxe, Frederiks minister van tinanciën, wien de koning in bijna alles de handen vrijliet, was de ziel van deze zegenrijke regeering.

Stbeckhüs. V. 41

Sluiten