Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bandieten. Dood van Gregorius XIII.

niet slipt vervuld hadden, hoewel de bepalingen daaromtrent reeds lang vergeten of als verjaard beschouwd waren.

Zoowel aanzienlijke geslachlen als edelen van lageren rang zagen zich verdreven of met ontzetting bedreigd van de bezittingen, die zij meenden op rechtmatige wijze verkregen te hebben. Vele koopers van leengoederen werden geruïneerd, want Gregorius XIII bekommerde zich er niet om. ot de bezitting door erfenis dan wel door aankoop verkregen was. Niemand achtte zich langer tegen inbreuk op zijne rechten veilig.

Eene algemeene gisting heerschte in den kerkelijken staat; de boeren trokken partij voor hunne landeigenaars en zelfs de steden legden eene vijandige stemming aan den dag. Al kwam het ook niet tot eene eigenlijke omwenteling, toch stonden op meer dan ééne plaats de in hunne rechten gekrenkte leenmannen tegen de pauselijke commissarissen op en dikwijls verdedigden zij hunne bezittingen gewapenderhand.

De oude, ternauwernood ingesluimerde partijtwisten herleefden, men hoorde niet alleen weder de halfvergeten partijnamen van de Guelfen en Ghibellijnen, ook de bloedige botsingen dier partijen keerden terug. Hier werd eene gevangenis bestormd, om de gevangenen eener partij te verlossen, daar, om die der tegenpartij in den kerker te vermoorden en hunne hoofden als zegeteekenen op de muren te plaatsen.

Doch hierbij bleef het niet. Reeds sinds geruimen tijd liet de openbare veiligheid in den kerkelijken slaat zeer veel te wenschen over. De vroegere huurtroepen, die sinds hel sluiten van den vrede niets Ie doen hadden, trachtten als roovers en bandieten in hun onderhond te voorzien. In grooter of kleiner benden vereenigd trokken zij roovend en plunderend het land door. Onder Gregorius XIII nu sloten de uit hunne bezittingen verdreven edelen zich bij die roovers aan, zij werden hunne aanvoerders; andere edelen wierven eene bandietenbende aan, om deze in den strijd der partijen te gebruiken. De afstammelingen der aanzienlijkste geslachlen, een Alfonso Piccolomini, een Roberto Malatesta, werden rooverhoofdlieden.

Piccolomini trok eens met zijne bandieten naar hel stadhuis van Monteabbaddo. Terwijl zijn gevolg op de markt danste, liel hij al de vijanden zijner partij in de slad opzoeken en voor de oogen hunner vrouwen en zusiers, die mei de roovers dansen moesten, ter dood brengen.

Gregorius XIII spande tevergeefs al zijne krachten in om aan dien onhoudbaren toestand door gestrenge maatregelen een einde Ie maken, doch wanneer hij de ééne provincie voor korlen lijd van de bandieten zuiverde, slaken zij in de andere hel hoofd weder op, om kort daarna weer naar hunne oude schuilhoeken terug te keeren.

Piccolomini was zelfs vermetel genoeg om te Rome te verschijnen, den paus eene lange lijst zijner moorden voor te leggen en om absolutie Ie vragen. Gregorius XIII durfde dit verzoek niet afslaan uit vrees voor de wraak van den geduehlen man. Zuchtend onderleekende hij den aflaatbrief.

Zwak en levensmoede stierf Gregorius XIII den 1(V'" April 1575 in den ouderdom van 83 jaar.

Het was hoog lijd; het schandelijke bandielenwezen had zulk eene vreeselijke uitbreiding verkregen, dal niemand meer van zijn leven en zijne bezillingen zeker was en dat zelfs de burgers in de vestingen zich niel tegen de rooverbenden konden beveiligen. Overal hadden de bandieten hunne vrienden, handlangers en helers, onder alle standen der maatschappij trof men hunne medeplichligen aan. Onbeschaamd stak de misdaad het hoofd op en hel onbeschaamds! van allen in de geestelijke hoofdstad der Christenheid, te Rome zelf. Hier wedijverden aanzienlijken en geringen in schaamlelooze zedeloosheid. De moeders verkochten hare dochters, de mannen hunne vrouwen,de beambten deden niet de minste moeite om hunne omkoopbaarheid Ie verbergen. Dieven en moordenaars vonden bescherming bij de rechters, indien zij slechts geld

Sluiten