Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pijnboomen met de kandelaberige kronen op de gewrongen, zilverige stammen, waar uit de diepte grommelde de niet-te-ziene bergstroom, van het in stroeve donkerliggend Justisdal. O, wel een wonder plekje!

Zij dronk nu gehaast haar thee, maakte aan het ontbijt maar een eind, ging luchtig naar buiten, van Reelen tegemoet, die zij in wachtend slenteren al van verre zag. In een ommezientje waren ze samen, liepen, weinig pratend, langs het smalle paadje naar het bekende hek. Maar nauwelijks hadden ze eenige passen in 't bosch gezet of luid stemmegerucht schaterde op hen aan.

Vooraan, bij de driesprong, op de bank, zaten een zestal menschen, druk kakelend, — en verderop joelden er met schreeuwerige gebaren, heel het anders zoo stille bosch kletterde vol storende geluiden. Anna Paulowna en van Reelen keken elkaar ontstemd aan, lachten even pijnlijk, zeien bijna gelijktijdig:

— O, dat is hier gedaan!

— Ja...! zuchtte van Reelen, als 't weer mooi wordt, krijg je de toeristen; die komen uit, als slakken bij regen!

Zonder op te kijken liepen ze door, snelgevoet, bekend met de kleine klimmingen, met de gaten en stronken, de hobbeligheden van 't pad, om gauw uit

Sluiten