Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten door. Hij voelde de spieren van zijn nek als koorden dik worden, z'n kop tot berstens toe opzwellen; en hij had in een dolzinnigen aanval een hark gegrepen en was tusschen de beesten gesprongen en had geslagen, geranseld dat het bloed rond-omme spatte als een warme dauw-regen over de w»t-grijs glinsterende vachten der Lakenvelders. Zijn machtige brulstem leek wel angstig te maken de op-één gestapelde harige massa's met de vuur-oogen valsch, de sterke hoorns gevaarlijk dreigend op de knoestige koppen.

Licht, al meer licht zieberde tusschen de verlegde pannen, en duidelijk herkende Toon de wild geworden stieren met hun korte rimpelstrakke nekken.

Maar Jezus! wie stond daar aan het eind der schuur ? Oom Koos ! Hoe hij d&ar gekomen was, tegen dien muur, tegen dien ontzettend hoogen muur ? Toon wilde schreeuwen te wijken, maar al hoorde hij den slag der achterste poort als een kanonschot door den stal donderen. De beesten drongen vaster, saampersten de lijven tot een onwrikbare massa, saétmknoelden ze tot een onverzettelijken berg van levend vleesch. Beangst door het woedende slaan van dien éenen, waren ze weggedrongen, langzaam,

Sluiten