Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ge meug-d'oe eerst wel 's onder de pomp houwen. Ge ziet er uit dat 'n hond er vies van is.

— Dat geeft geen laars, lachte Krist, voor 't avend is zijn we wel weer tien keer smerig gewist.

Doch Toon luisterde al niet meer, keek de emmers na, spoelde er de smurrie af, plaste geweldig met water over de besmoezelde steenen en ging toen, nèi zijn klompen op den rieten mat te hebben neergezet, het keukentje binnen waar al gezellig warmend de koffie stond te pruttelen. Dan kwam de jongen binnen.

— Eerst 'n bak spoeling, daar is brood — en dan de laan uit.

— Ja baas, rekte Krist geeuwend, terwijl hij lusteloos op een stoel neerzakte, 'k Gaf 'n maffie aan 'n arm mensch, as ik terug naar m'n kooi mocht.

Toon at met schrokkende haast z'n brood, slobberde toen wellustig de koffie op.

— Vooruit nou — oud wijf — 't is tijd.

Met 'n stuk brood in den mond en 'n afgebeten brok in de hand, trok Krist den baas na de ochtendstille Antoniussteeg door, vaal grijs onder dampend nevelgrauw mist-licht, dat ruig zieberde tusschen de eeuwenoude uitgezakte

Sluiten