Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schurftige vuur ingevreten had, den korst-bodem glazurend tot de dunne aren af-nikten en verstikten waar ze stonden. Het loof der aardappelen hing er bij als werd de grond tot diep in z'n binnenste gestookt, 't lag weerstandloos over de vlakte, zoo dor en droog dat ze er de klauwen bot op hakten bij het roeien van puien en netels, want die puntten al hooger! en dieper zogen de wortels de leste levenssappen uit den grond! Die serpentige gele bloemtrossen, die witte daar! en met 'n hak van zijn klauw voorde hij onder de kluit-korsting en trok met tergend wreed genoegen voorzichtig de wortels mee, draadje voor draadje, en ploeterde diep met z'n hand na, smeet dan den knetterenden kleurregen wèg uit zijn valsch flikkerenden oogblik, want nijdig en kribbig werd hij er onder. Hij kon zich niet gewennen aan die knikkende boerenbedaardheid: dat er wel regen ééns zou

komen moes-je afwachten. Hij afwachten?

Nou maar geduldig met de armen gekruist gaan zitten en de boel, de — boel — laten : hij ? Liever dood vallen onder een zonnesteek! Zou hij rusten kunnen, nu daar dat arme land te versmachten lag, zou hij thans zonder verzet toezien dat het koperen vuur zijn eigendom, waarvoor hij geploeterd, geijverd en gevochten

Sluiten