Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

troepje havelooze armoedzaaiers verschroeide. Toon jachte voort, de twee grootste arbeiders die vol daggeld verdienden aan-vurend, telkens de eerste bij het afwerken van een roede, telkens weer met onverzettelijk willen een tweede volgegroeide onkruid-baan wegklauwend. De zon boven de weg-gebukte koppen, de in-een-gedoken lijven, de striemend verblindende lichtslag in de oogen, de adem benepen, de monden droog, voort, altijd voort, rusteloos ijverend tegen het opschietend onkruid. En weer werd het middag en weer heeter zengden de stralen de arme levenlooze planten, en weer werd het avond en leek het lillende bloed-roode licht het stedeke in laaiend vuur te zetten. Roerloos hing de verhitte lucht staal-strak te tril-beven, weer duisterden de purperen mastedammen en scheurde de maansikkel geel-wit in het blauwend donker. Bek-af, moedeloos en loom zwaar z'n gloeiend-heet gebrande kop, suf van slaap, keerde Toon huis-toe, de huid verschroeid en pijnlijk, de zonneblaren in zijn hals, z'n lenden als gekraakt, stram stijf in voorover gaan, de spieren in krachtloos sjokken het lijf dragend, afgebeuld als van een ouden

afgewerkten arbeider.

Dan smeet hij thuis zijn gereedschap in de

Sluiten