Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij was goed wakker en soms verkruiste hij zijne uitgestrekte beenen. Oude herinneringen leefden in hem op. Door zijne gedachtenwoeling heen overpeinsde hij zich-zelf, trachtte hij opnieuw zichzelf te begrijpen, te verklaren, te ontleden. Er was zooveel duisters in zijn leven, zooveel geheimzinnigs, waarvan de dooden de verklaring hadden medegenomen. Zijne oudste herinneringen gingen terug naar de burgermanswoning zijner grootouders Friedrichs: duistere kamers in de Amsterdamsche Zandstraat, waar hij veel alleen was. Van zijn moeder, in dien tijd, herinnerde hij zich niet veel. Zij was modiste, en naar een daguerrotypetje, dat hij overal meedroeg, een interessante jonge vrouw, niet zeer mooi, maar zoo lief, zoo verstandig, met groote bruine oogen, die zoo zacht van uitdrukking waren, dat hij nu nog haar portret nooit lang kon aanzien zonder het ten slotte in een onstuimige beweging van nimmer minder wordende liefde aan de lippen te drukken. Hoewel een werkmansdochter kleedde zij zich, met goedkoope dingen, zeer smaakvol; zij was een geboren lady, niet enkel naar hare fijne gestalte, die in haar later leven zwaarlijvig werd, maar vooral naar haar geestvol gezicht, nog meer naar de zuiverheid van haar spraak, haar afkeer van alles wat ruw of gemeen was, haar begeerte om zich verstandig te ontwikkelen. Van haar had hij zijn onverzadelijken leeslust, van haar zijne fantasie en droomenlust, van haar nooit neergeslag en levensblijheid en geestkracht helaas slechts iets ont

Sluiten