is toegevoegd aan uw favorieten.

De voorbijganger

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen dien tijd weg. Tot zoolang mocht hij in den tuin doen wat hij wilde: hij plukte rijpe bessen, niet veel, want hij was heel zoet, en bang om knorren te krijgen. Zoo viel het hem nooit in appelen te plukken: hij at enkel de afgevallen appelen op. Zijn grootste pleizier was om stil te zitten luisteren naar het getjilp der musschen, en reeds toen, herinnerde hij zich, dacht hij er aan hoe vreemd het was, dat er om zijn leven zooveel ruimte was en zoovele menschen waren: ruimte, waarin zijne gedachten niet durfden doordringen, menschen die zijne oogen nauwelijks durfden aanzien.

Andere dagen dwaalde hij door het groote huis, dat zeer stil was; door de lange gang, waar in een hoekje een glimmend koperen puthaak in een glimmend koperen bakje stond, en in een anderen hoek een hooge staande klok met boven de wijzerplaat een schip met zeilen, dat steeds maar heen en weer ging, en een maan in een blauw-geschilderden hemel met gouden sterretjes, die soms weg was. Die gangklok, met haar streng getik, was wel heel ontzagwekkend, bijna zoo ontzagwekkend als zijn grootvader, maar hij ging haar toch onverschillig voorbij. In de achterkamer van zijne grootouders Friedrichs hing een Friesche klok, met drie mooie koperen versiersels erop ; die had ook een maan, die weg ging; die klok vond hij veel aardiger, want daar hingen zware koperen gewichten buiten aan, welke hij soms mocht optrekken aan de koperen kettingen.

Doch er was in dit huis zooveel anders, dat hem