Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij op reis naar Amerika, waar de dood van zijn oom, dien hij nooit gekend heeft, hem roept om een erfenis te regelen, die hem en alle leden zijner familie maatschappelijke onafhankelijkheid verschaft. Doch in dezen tijd ook sterft zijn moeder. De noodzakelijkheid van den arbeid vervalt voor hem, tevens mist hij haar voorbeeld van wilskracht, dat hem aan den arbeid heeft gehouden. De nieuwe smart, waartegen hij niet meer beschermd wordt door de dreiging der armoede, vindt hem met een onafzienbaar ledig voor zich uit, drijft hem in moedwillige vergetelheid. Zijne jongere broers en zusters, van wie enkele reeds gehuwd zijn, aan wie hij sedert zijns vaders dood met liefde zijne beste levensjaren heeft gewijd, gaan, volwassen, in een beveiligde toekomst hun eigen weg; zijn denken heeft zich verrijkt, maar zijn gemoed is verschrompeld. Wat hij aan geestkracht bezit, uit zich in belangstelling voor het leven, ofschoon hij er zelf het slachtoffer van is. Hij wil zooveel mogelijk leven door te zien, te ervaren, te onderzoeken. Hij gaat op reis : doelloos, als een boomblad op den wind zwerft hij door vier werelddeelen. Soms zet hij zich vermoeid neer. Hij rust uit te midden van een vreemd volk, welks taal hij leert, opdat hij vragen kunne: „hoe denkt gij over dit?" — „Waarom doet gij dat zoo?" — „Wat gevoelt gij, wat begeert gij, wat hoopt gij?" Met het antwoord op die vragen verrijkt gaat hij heen om elders, omgeven door een ander volk, dezelfde vragen te stellen. Slaaf zijner zinnelijkheid,

Sluiten