Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handdoek droogde, en Mme Rénouard, die hem met blijde verwondering aanzag, voortging te vertellen van zijn ziekte, en wat de dokter gezegd had, wierp hij uit zijn slaapvertrek, door het geopende venster van zijn studeerkamertje heen, al een blik naar buiten: niets dan de blauwe ietwat wit-doorwaasde hemel, waartegen, als een lange, rechtgetrokken streep, de Eifïfeltoren afzwartte.

't Was een dier mooie dagen van Parijs, zooals April er enkelen heeft, waarop de stad met hare tuilen van pas-ontloken groen, doet denken aan een jonge vrouw, die zich getooid heeft. Om dien indruk te winnen, moet men haar gadeslaan van een hoogte, zooals Hugo, nadat hij zijn studeerkamer was binnengegaan, en een oogenblik voor het geopende venster bleef stilstaan, bewogen van geluk, bekoord door het verschiet der groote, heerlijke, arbeidzame stad. Hij zag even uit zijn venster omlaag, in de binnenplaatsen der huizen, door de lantaarns der werkplaatsen, waar mannen en vrouwen, wier gepraat hij hooren kon, de rappe handen bewogen. Maar dat was te dicht bij, hij zag te veel details. Wat hem, terwijl hij neerviel op een stoel voor het venster, roerde van dankbare schoonheidsgenieting, was het geheel: de onafzienbare stad, vaag gekleurd, grauw, bleek-rose, een reuzenmassa van op elkaar gestapelde vakken met bonte opschriften, velen, maar wier kleuren wegvaagden in het overal-grauwe er omheen: een oneindigheid van rechte en schuine lijnen, de daken donker,

Sluiten