is toegevoegd aan uw favorieten.

De droomers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en niet nagedacht hoe ze konden zijn: giftige parasieten ook zij, van den proletariër. Maar nu, mijmerende over het aangekondigde bezoek van een echten prins in zijne zolderkamertjes, kwam de gedachte in hem, dat een arme prins — hoewel 't dan toch altijd een beetje dwaas was, dat hij zijn titel aanhield — niet veel meer was dan een arme werkman, ongelukkiger misschien nog dan deze door allerlei herinneringen aan vroegere grootheid, slachtoffer, misschien ook hij, van den alvreter, den bourgeois. Zijn buurman evenwel, die nu bleek een prins te zijn, had zelf het voorkomen van een bourgeois, zelfs van een bourgeois in goeden doen: altijd gekleed als 'n meneer die werk van zijn kleeding maakt, hij kon dus niet zoo heel-arm zijn. Een beleefd man toch, en heel gentlemanlike, met wien hij zich verder niet had beziggehouden, maar die door iets zeer welopgevoeds, gepaard aan het fijne gezicht van een denker, hem altijd een aangenamen indruk had gegeven, wanneer hij hem op de trap of op straat ontmoette. Nu hij wist, dat die heer een prins was en zich nog met dien titel liet noemen, viel hem dat tegen in zijn buurman, dien hij voor zulke futiliteiten te verstandig had geacht.

Er werd aan zijn deur gescheld; hij stond haastig op, denkende, dat daar de prins misschien al was, maar toen hij de deur had geopend, stond Jozef Terhaer voor hem en trad met een „wel, kérel, d& doe-me pleizier!" binnen. En nu, nadat Hugo zich achter zijn schrijftafel had gezet, en Terhaer er voor,