is toegevoegd aan uw favorieten.

De droomers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den opstand der Nederlanden tegen Filips II, van dezen uit door dien van het parlement tegen Karei Stuart, van dezen uit door dien van Noord-Amerika tegen den koning van Engeland, van dezen uit in de Fransche omwenteling, die opnieuw een wereldorde vernietigt.

Wanneer de instellingen haar hoogsten bloei hebben bereikt, heeft zich de kiem harer vernietiging vastgezet. Het Koningschap vormt de eenheid der volken, in den Koning verheft zich de uiterste macht van ridderschap en feodaliteit, maar reeds nadert zijn vijand: de Staat. Karei I spreekt daarvan het eerste in zijne pretentiën tegen het parlement: „de Staat, zegt hij, heeft geld noodig." Men vraagt hem: „wie, wat is de Staat? Hij wil gaarne, zooals vijftig jaren later, Lodewijk XIV, zeggen: „ik ben de Staat," maar hij durft niet en blijft het antwoord schuldig. Inderdaad, is de Koning niet de Staatde Koning is de usurpator: in hem is de diefstal monument, heiligdom, afschijnsel van God geworden, maar de Staat is de gemeenschap, zijn de steden vereenigd in hare parlementen — let wel dat de kerel daar nog altijd buiten staat — is de opkomende derde stand. Deze geeft, met het woord van Sieyès, antwoord op de vraag: „wat is de Staat?" Hij stelt de vraag anders: „wat is de Derde Stand? Niets." — „Wat behoort hij te zijn? Alles!" De kerels worden ook thans opgeroepen, nu door de nieuwe ridderschap met haar pretentie èn het koningschap, èn den