Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogenblik leefde, voelde, dat hij gelukkig om Elly was, maar toch was een jaloezie in hem, om dat fyziek geluk van die twee heel mooie menschen; er was iets zoo weinig gecompliceerds in, iets bijna antieks in deze natuur van zuidelijken herfst, tusschen die overdaad van zwellende vruchten, en zeker wist hij nooit zoo een geluk, fyziek, te zullen benaderen, omdat hij den morbide weemoed meer voelde, omdat hij het Noorden voelde in zijn ziel, hoe die ziel aan dat Noorden ook poogde te ontsnappen — omdat hij den Angst voelde voor de jaren, die komen zouden, omdat zijn liefde voor Elly zoo heel veel was van sympathie en gemoed, omdat de straffe zinnelijkheid aan zijn natuur ontbrak. En hij voelde er om een ^ gemis, en om dat gemis was hij ijverzuchtig, met héél de ijverzucht, van zijn moeder geërfd Zij beiden, Aldo en Ottilie, ze voelden niet den morbide weemoed en den zieken Angst en toch, hun geluk, hoe overdadig ook, was een herfst, als de natuur om hen rond. De kopergloeiende bladeren der platanen, plotseling, woeien over het druivenportiek, verstrooid door de plotse, ruwe handen van den blij opdriftigenden wind. Een huiveren ging door de verwarde rozenstruiken; een zwaarrijpe peer

Sluiten