is toegevoegd aan uw favorieten.

Warhold

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dag was thans verdwenen en de nacht, die alles verzwaart, kwam over de aarde als een groote schouwmantel. Een dikke droefheid zette zich in "Warhold vast. Onmachtig, als met ketenen aan den grond getrokken, lag hij te turen naar het vensterlicht van den burg, een hoop in het hart en toch een weten in het hoofd, dat hij haar nimmer zou weerzien. Hij rilde — toen hij een schaduwgestalte door de hamei zag gaan.

Hij rekte zich languit over den grond en loerde, 't hoofd tusschen de armen als een hond.

De gestalte, een vrouwengestalte, naderde en toen zij dichtbij was, rees hij als een pijl van den arbaleet. De armen om Machteld gordend, stamelde hij: „Machteld, Machteld", en met zijn handen tastend om haar hoofd en haar lijf, drukte hij haar tegen zich aan.

Maar zij met een felle fluistering: „Weg, weg," vatte hem bij den arm, en in stommelende haast schreden zij het woud door en over de vlakte, waar rollen nevel opgeborgen leken in den nacht. Ze gingen zwijgende, bij elk geluid hunner vlucht den stap verhaastend. En toen zij een eind geloopen hadden, reikte zij hem een zak, dien hij over de schouders wierp, en zonder antwoord, huiverend van geluk en sprakeloos van angst, haar nog te zullen verliezen, liep hij naast haar voort, met zijn blikken zoekend, om nog verder te komen, zoover, dat ze nimmer terug konden keeren.

En de wolken, die den hemel gesloten hadden,