is toegevoegd aan uw favorieten.

Warhold

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn liefkozingen als van het woudgejuich bedwelmd.

Zooals de zon tot de aarde, leefden zij tegenover elkander, hij met een feilen gloed haar lijf en haar bewegingen, haren lach en haar oogenblikken bespiedend en zij, zich koesterend tegen hem aan in een lichte beving, totdat op den tijd, dat de zon de aarde raakte, hij zich aan haar schoonheid verteederend zich zelve te niet deed in den gloed hunner omhelzingen.

Zoo leefden zij in de zaal der wouden, het groen in- en uitgaande, warende over de vlakten, om menschen te mijden, hun leger spreidend onder de takken, die zakten, hen tot een luchtig baldakijn.

Onvermoeid schreden zij voort, nevens elkander, gedachten aan gedachten; en somtijds, als Warhold stil hield, begeerig om haar handen in de zijne te vatten, week zij terug. Haar blikken onder de wenkbrauwbogen waren als daglicht, gouden geronnen onder de booggewelven eener krochte. Haar lippen werkten zich spotachtig te zamen. Hij wilde haar naderen. Maar zij, de gouden smeuling harer blikken als verre beloften, ontweek hem; en hij vernederde zich in vleiwoorden, in zoete geloften.

Maar stil ging zij verder, aan haar zijde Warhold, die twijfel in zijn hoofd en aan zijn hart een wonde voelde.

En dan bij een plek, waar de zon dik doorscheen, hield zij hem aan, en 't hoofd in bewe-