Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij op het verleden, de schakel tusschen hetgeen was

en is en worden moet niet meer afgebroken worde "

Zoo vat de heer Coopman samen wat zijn zienersblik ontsluierde.

Streng geweest voor de jongeren: dat de Meyere meêdoet »aan gekkemanspoëzie" is inderdaad streng — en kiesch — uitgesproken. Wat niet belet dat hij toch in een hoogeren gedachtenkring leeft dan de meeste dichters waarover gij 't in uw verslag hebt. Maar gij

wilt de jongeren niet erg plagen: »wie bezorgd

in de toekomst blikt, luistere even, met vriendelijk geduld of vaderlijke hoop, naar den gonzenden zwerm onzer wordende dichters; hij luike het oog niet voor de bezielde jeugd van Nu en Straks, die, in dreunenden draf, voortsnelt in een' wolk van stuivend zand en zilverloovertjes" .... Ei zoo! zilverloovertjes! stuivend .zand, artikels als R h y t h m u s en Herleving der Vla amsche Poëzie? Maar wanneer werd er nog zulk «gegons" in een Vlaamsch tijdschrift vernomen ? En de gedichten van Prosper van Langendonck, die snellen ook voort «in dreunenden draf"? Hier is dan in 't geheel geen spraak meer van die «tragcedie van een menschenhart", die gij — na Kloos — in Jacques Perk ontdekt hebt? En*dat alles zoo van «elders" overgenomen ? Maar wanneer steeg er uit ons land nog een stem als die van Alfred Hegenscheidt? Wat komt gij ons praten van die ouderen, die den weg voor 't onbekend nieuwere «langzaam" voorbereiden, als het daar al st&it, dat nieuwere, in verzen als Muziek

Sluiten