Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen juffrouw Gilpin nu haar man Den landweg in zag slaan

Met zulk een vaart — had zij terstond Haar knipjen opgedaan;

Ze nam een halve kroon er uit,

En zei tot den koetsier:

"Dit is voor u, brengt gij mijnheer "Gezond en wel weêr hier."

De man zat op, en zag van verr' Aanrennende onzen John;

En ijlings greep hij 't paard naar 't bit, Of zoo hij 't stuiten kon.

Maar in zijn toeleg falend, schoon Door winzucht aangespoord,

Dreef hij te meer door nieuwen schrik 't Verschrikte dier nog voort.

Vooruit ging Gilpin; achter hem Kwam de ander op zijn knol,

Zijn knol, van 't rijtuig vrij en schier Van blijdschap ook op hol!

Sluiten