Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik kan niet, ik kan niet! Marie, Marie.... o, had ik ze maar nooit ontmoet. Waarom zou ik het voor mij zeiven willen verbergen: — ik kan ze niet meer missen. Als ze er is, ben ik tevreden; is ze er niet, dan zoek ik haar. En toch, ik mag niet aan haar denken; ik ben toch zoo'n ellendeling nog niet, dat ik mijn besten vriend zou verraden, mijn besten, trouwen vriend! O, Frits, Frits, waarom heb je dit van me gevergd'? Had ik die onzalige reis maar nooit begonnen. Maar ik moest wel — ik kon niet anders. Is het mijn schuld, dat ik nu voor altijd nameloos ongelukkig moet wezen, als ik geen lage schurk wil worden, — als ik hooren wil naar die stem van den satan daarbinnen, die me toefluistert: „wees geen dwaas.... zie je niet, dat ze van je begint te houden? — dat ze hem wel zal vergeten?".... Neen, — dat is een leugen — daar is de engel te rein en te edel voor. — Ik ben niets voor haar — niets — niets! O, God, ik die alles voor haar zou willen wezen! (Hij verbergt in wanhoop zijn gelaat in zijne handen.) Maar weg — weg met die gedachten! Ik wil er niet meer aan denken — ik wil in 't geheel niet meer denken: dat maakt me laf en krachteloos — en ik heb al mijn kracht noodig. — En nu (hij haalt een gesloten brief te voorschijn) nu wil ik eerst den brief van Frits lezen, dien ik nu al een paar uren bij me draag, zonder dat ik den moed had hem open te breken. — Maar waarom schrijft hij ook altijd over haar ? (Hij breekt den brief open en begint te lezen.) Wat! Wat zie ik? (Hij leest.) „Alles is in orde! „Het besluit is geteekend. Ik heb mijn aanstelling tot „directeur van de schilderakademie gisteren ontvangen. „Van morgen ben ik bij haar ouders geweest. Ze heb„ben zich door mijne positie in de maatschappij laten „vermurwen Je bent de eerste, die het weten moet,

Sluiten