Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezit is, wordt gezien als medebrengende den plicht, dat dit ten behoeve van allen, van de gemeenschap worde gebruikt. Het Nieuwe Testament onderstelt het privaatbezit, noodig voor de vrijheid om persoonlijk te kunnen arbeiden en niet absoluut afhankelijk te wezen; maar deze regeling vindt haar grenzen door hetgeen het algemeen welzijn vraagt. Het is onvoldoende het eigendomsrecht te gronden op de individueele behoefte alleen (Romeinsch recht; Philosophie der zestiende eeuw); evenzoo, dit te gronden op de gemeenschap als het ideaal en het privaatbezit als een concessie (Roomsche kerk). Men stelle de zaak zóó: privaatbezit is noodig, omdat de mensch den drang behoeft, die er ligt in het zien van vruchten van eigen arbeid, maar deze vruchten moeten zyn ten bate van allen. Er is niet een recht, maar een plicht van den eigendom; en de maatschappij moet dus zóó zijn, dat elk individueel eigendom kan verkrijgen; elk moet minstens zijn gezin kunnen onderhouden; en: hoe meer men bezit, des te grooter worden de plichten. Er is geen bezwaar tegen, dat allerlei takken van dienst overgaan in het beheer van den Staat, zoo dit maar niet wordt uitgebreid tot algeheele socialisatie der productie-middelen; want dan gaat de persoonlijke verantwoordelijkheid weg, dan wordt de Staat alleenheerscher en komt er knechtschap voor allen, de persoonlijkheid wordt niet ontwikkeld, het gezinsleven kan niet gehandhaafd blijven en de onsociaal-handelende menschen (luiaards, dronkaards) zouden in dien nieuwen maatschappij-vorm ook niet passen, terwijl men de middelen ontbeert, om hen te veranderen.

Bij menig bezwaar, dat men wellicht tegen vele der

Sluiten