is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

berooveri; verdunnen; verzachten; ee delit est hennroiip nttéiiué p«r Ie» circonstnnces.

dit vergrijp wordt door de omstandigheden merkelijk verzacht.

Atter||rage, m. het aanlanden; landingsplaats, —rir, v. n. landen, aanlanden; —ré, a. et p. ter aarde geworpen; neergeslagen, neyrgeplott; — rer v. a. op den grond werpen, smijten; diep bedroeven, terneder slaan; -riaaage, m. landing, v.; —riasemeiit, m. aanwas van land;

landing, v. ^

Atte» tatiou, f. bewijs, getuigschrift; -Ier, v. a. (préf. ad et lat.testis, témoin)getuigen,

getuigenis geven; ai»

Attieiulline, m. (gr. attikismos) Attische fijnheid, beschaafdheid in het spreken of schrijven, v.; -te. m. Giieksch schrijver, die den

. 1 .... *...>nkt m-i to vn crpii.

stiil tier Aiuscne scunjvaa ..i» -

_ Inmtf maL'«ll' llC.

Al 110 (III . V. h. veiKiicicu, IOU" " ' ,

veikoelen, koel, onverschillig doen worden; h—, v. pr. verkoe'.en, koel worden; in genegenheid verflauwen; — dis»emeiit. m. lig. verkoeling, verllauwing, v.

\tti latte, ou atliftinent. m.opschik; boute tooi; — fer, v. a. (v. fr. tuffe, touffe de ctieveux) te veel opschikken, optooien, oppronken, opsieren; -Ie», m. opschik, in. tooisel; hoofdberaad (van vrouwen).

Attinler, v. a. de stukgoederen in de stuwing

vastmaken. u. . ... _ / : i,/v \ 11 ici'li A thppnsfh

\IIMMie. U. igr.mnnv.0;, " .

Hel -. Attisch zout, fijne geestigheid, scheits, <ubst. m. kleine verdieping boven op een gebouw om 't dik te verbergen; — men», n. op

Attische, fljngeestigc wijze.

Atti rablr, n. voor aantrekking vadiaai, —riiee- m. aantrekking, v.; —rail, ni. toebehooren, gereedschap, tuig; gevolg; sleep, tros, stoet, m.; -rail», ante. a. lig. aanlokkend, aantrekkend, aanhalig, bekoorlijk; r?r* X' a' aantrekken, naar zich toe treVken ot halen; | I ai munt »«li re Ie Ier, de magneet tiekt het ijzer aan; fig. elle attlraU ton» Ie» regiird». iïi trok aller blikken tot zich; prov. ml malheur

•' ... ..,.««1 11 Ir l/nmt /P ilPII

en Hdire tin «uur. uc»

alleen; — Mir sol, zich op den hals halen, zich berokkenen; »*—, qch. v. pr. iets tot zich trekken, iets verwerven; zich iets op den nais halen, zich iets berokkenen.

Atti«e, f. hout onder den brouwketel; —MtMiuerelle, m. et f. twiststoker; twiststookster; — «er, v. a. (préf. ad et lat. titio, tison) — Ie feu, aanstoken, opstoken (het vuur); tig. aanstoken, aanhitsen, olie in het vuur gieten: —Meur, m. opstoker; hij, die het vuur opstookt; —noir, m. — Hoinioir, m. stookijzer, pook, m.

Attilltró, p. et a. fig. met een ambt beklefd: gewoon, vast: tiiou medeeiii —, mijn gewone dokter; de» teuioiiiH omgekochte getuigen.

Attitude, f. (ital. attitudine; du lat. aptitudo, aptitude) houding, v.

Attolr ou atlolIoii, zie atoll.

Attoiuey (pr. a-tor-ué), m. procureur (in Engeland).

Attouebeiiient, m. aanraking, aanroering, betasting, bevoeling, v. f .

At traerif, ive, n. aantrekkend; >•

(préf. ad et lat. trahere, tirer) aantrekking, aantrekkingskracht, v.; — eapillaire, aantrekking der haarbuisjes, —muléeulaire, «Ie eolie«iun, cohesie; la grande —, de zaak die veel gerucht maakt, die veel toeloop heelt: — riee, a. f. lorre attraclrlee. f. aantrekkende

kracht, v.; -ioniiaire, m. voorstander der aan-

trekkingsKracni.

Attrai re, v. a. aantreKKen, aanioKKeu, — m. bekoring, v. aanloksel; trek, m. neiging, v.; -t». Dl.bekoorlijkheden, bevalligheden,schoon-

heid, v.

Alirau e, r. vaisiriK, m, u». r'"10,

v.; groote tang, die men in de smeltovens gebruikt, v.; keertakel, waarmede een schip brj het van stapel loopen gehouden wordt, m.; jouer a 1'-, krijgertje spelen; --monclie, m. vliegenvanger, rn. (zekere plant); puir. de» attrape mouehes; — -niais, —nigauu, — -lourdaiid, m. grove list voor domkoppep v.; —parterre, m. knalelTect (op het tooneel); -er, v. a. (rad. trappe) vangen (m een'strik enz.); betrappen: achterhalen, inhalen,

. . " «^ITnn. fl CT VPrSPha 1 W PI I. I OOI'

Krijgen, vaiicu, iicucw, ..ö. -

list vei krijgen; oplichten, bedriegen; — un bon

• «1'pLLpn- li» VIIIIM

immer», teil iiuiii»"-*

_*1 ;l- t.piran n on pen leucen:

llllinur «« mrnui, m •- ;r °

iete7.-in«>i eela, je l'attraperai, werp t mij

*7 • I. -.1 '1 ..nnnn». «U nai(l<Pl> Ik ItlPII lil*

IOC, IK /.ill L vangen,

trape votre rf»seuil>laiiee. die schilder heett u goed getroffen; — uil rluime, eene kou vatten; ii uil clou, aan een spijker blijven haken; —eur, m. eune. f. verschalker, topper: —oire, f. val, v. valstiik, m. Tig. kunstgreep, v.

Atlrayant, ante, a. aanlokkelijk, aantrekkelijk, bekoorlijk.

Attreniper, v. a. tot den hoogsten graad van hitte stoken; -> ile i'ncler, staal harden.

Allrihu uble, a. toe te schrijven; — er, v.n. (préf. ad et lat.tribuere, accorder)toewijzen, toekennen: toeschrijven; «legrninl»avaiil«ge» muit allribné» a <-el»e plare, er zijn groote voordeelen aan deze plaats verbonden; » -er, v. pr. zich toeëigenen, toeschrijven, aanmatigen; —t, m. eigenschap, hoedanigheid, v.; merkteeken. zinnebeeld, kenmerk; uil glahe et

mie balauee sont le« attribute* «Ie la JUMiee.

een zwaard en een balans zijn de kenteekenen vaii de Gerechtigheid; gezegde, piwdicaat: -til, ive, a. toeëigenend, toeschrijvend; —tloii, t. verleening van zekere voorrechten; werkzaamheden van een ambtenaar: eeei rent re dan» *ew attrihutioiiH, e»t en «lelior» de «e» dit ligt binnen, buiten zijne ambtsbevoeg.iheid: -'-lettres «I*—, volmacht aan een lager gerecht óm in eene zaak uitspraak te doen, v. Attrimer, (arg.) stelen.

Attriwt ant, ante, a. bedroevend, treurig; —er, v. a. bedroeven; v. pr. zich bedroeven.

Attrltioii, f. (préf. ad et lat. terere, broyer); zondenberouw; wrijving van twee harde lichamen, v. ,

Attrou peuient, m. oploop, samenloop, m., samenscholing, v.; -per, v. a. in groote menigte bijeen doen komen, oploop verwekken: » v. pr. vergaderen, zich in menigte verzamelen; te hoop loopen, samenrotten.

Au, art. m. aan den, de of het, in, naar, met, enz. enz.

Aubade, f. ochtendmuziek, v. ochtendgezanp; ; lig. ketelmuziek; fig. II h eu une —, hij heeft eene schrobbeering gehad.

; \ ii ba in, m. vreemdeling in een land, m: i'. t.._ e -iirnr» rlpn sonverein

— naini', i. ui «pi» «i —, ~ ,■

om zich de goederen der vreemdelingen, die niet genaturaliseeid zijn, na hun overlijden, toe te eigenen (in Frankr. afgeschaft rn 18!'.•); lig. i-Vut une baiine —, liet is eeu buitenkansje;

— ban, m. recht op de winkels, recht om een