Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brug, m.; —ter, v. n. — (contre qch.), steunen tegen iets, stooten tegen iets; fig. — a qch. op iets doelen; v. a. — tin iniir, een muur stutten; fig. — qn., iem. «aandrijven; se —, v. pr. (ooittre la table), tegen de tafel steunen; fig. a qch., halsstarrig op iets staan.

Buti||li, m. (all. Beu te, proie) buit, roof. m.; —ner, v. n. op roof uitgaan, buit maken;'let* aheilles vont — sur Ie» fleurs, de bijen gaan op de bloemen honig inzamelen; — neur,euse, a. buitmakend.

Bntofr, m. stomp stootmes der leerlooiers, < bon tol r).

Buto||r, m. roerdomp (zekere vogel), m.; fig. dom, onhandig of onbeschoft mensch; —rde, f. fig. malloot, zottin; — rderie, f. domheid, zotheid, v.

But tage, m. het aanhoogen met aarde rondom een boom of eene plant, aanaarding; —te, f. hoogte, v.; heuveltje; verhooging van aarde of muurwerk achter het wit, daar men naar schiet, v.; pondre de —, kruit der schijfschieters; fig. ètreen — a qch., aan iets onaangenaams blootgesteld zijn; —té, a. chien —té. hond die een gezwel aan het voetgewricht heeft: —tée, f. groote hoeksteen van een bruggehoofd, m.; zie bntée; —ter, v. a. de aarde rondom

een boom, eene plant ophoogen, aanaarden: —toir, m. aanaardploeg, m.; —tnre, f. gezwel aan de pooten der honden.

Butyüreiix,a. (lat. butyrum, beurre) boterachtig; —rine, f. boterstof, v.; — rique, a. acide —, boterzuur.

Buv||able, a. drinkbaar (potable); —ant, a. il est hien —ant et bien uiangeaiit, hij eet en drinkt goed, hij is welvarend; — ard, a. papier —, vloeipapier (papier bronillard): s. m. uil —, een vloeiboek; —etier, m. waard, kroeghouder;— ette,f. ververschingslokaal, koffiekamer; restauratiezaal 3e klasse; pl. fam. gastmaal onder goede vrienden, kransje; ook: slokje, borreltje; —eur, m. — euse, f. drinker, zuiper, zwelger; drinkster; —eur. — euse d'eau, waterdrinker of -drinkster; —oter, v. n. fam. weinig, maar dikwijls drinken, lepperen.

By, m. groote sloot aan een vischvijver, v.

Byronien, iemie, a. in den geest van Byron's geschriften, in Byron's stijl.

Bys||sus, —se, m. (gr. bussos) soort van kostbaar lijnwaad bij de Ouden: bos van draden, waarmede schelpen aan de rotsen vastzitten, ni.

Byzaiitin, e. a. Bijzantijnsch; fig. discuMsion —es, haarkloverijen op een gevaarlijk tijdstip.

G.

C, m. C, de derde letter van het alphabet, v.

£a, adv. hier, herwaarts; — et la, hier en daar, ginds en herwaarts; qui —, qui la, fam. p. u. de een hier, de ander daar; —, int. nu, welaan! oh —, lustig! komaan! or —, nu! kom!

fam. = cela, dat; —ira, het zal wel gaan (refrein van een Jacobijnsch lied); coinme cl coinuie —, zoo zoo; c'est —, dat is het; juist!

Caaba, f. Mahomets vierkante tempel te Mekka, m.

Cab, m. (mot angl.) licht wagentje, met één paard, waar de koetsier achterop zit.

Caba||le, f. (hébr. kabbalah, tradition) geheime leer, verborgen kunst (der Joden); verborgen uitlegging van de woorden der Heilige Schrift; samenspanning van eenige lieden tot een aanslag, kabaal, v.; —Ier. v. n. samen¬

spannen, een heimelijk ontwerp smeden; een j kabaal maken; —leur, m.samenspanner; —listc. m. kabbalist; Jood, die in de verborgen kunst j van de uitlegging der Heilige Schrift ervaren is; —listique, a. geheimkundig, tot de verborgen uitlegging der Heilige Schrift behoorend: kabbalistisch.

Caballero, m. (esp. sign. cavalier) lid van den kleinen adel in Snanie.

Caballin, ine, a. voor paarden geschikt. Caban, m. (esp. gaban) grove en wijde mantel; waakrok met eene kap, m. op schepen). Caballnatte. m. het ODrichten van hiitlfin •

legerplaats der wilden, v.; —ne, f. (eelt. cab, hutte) hut; vogelkweekerij, broeikooi; kooi (op schepen); kajuit op kleine v.iartuigen; bedekte i schuit, v.; konijnenhok; —ner un vaisseau, v. a. een schip het onderst boven keeren, ken- j teren; —ner, v. n. omslaan, kenteren (vaneen j

schip); se —ner, v. pr. hutten opslaan; —non. m. cel (voor gevaarlijke gevangenen of krankzinnigen), v.; kleine hut, v.

Ca ba re || r, v. n. het water in brouwerijen overscheppen; —t, m. herberg, kroeg, v.; wijnhuis; koffie- of thee-blad; mansoor, hazelwortel: soort van vlasvink; — borgne, gemeen»kroeg: v.; —tier, m. iére, f. waard,herbergier, tapper; waardin, herbergierster, tapster.

Cabas, m. platte biezen vrouwentasch, v.; rond biezen vijgenkorfje; ouderwetsch rijtuig.

Cabestan, m. gangspil, v.; kaapstander, m.: windas.

Cabiai, m. moeraszwijn, van Z.-Amerika.

Cabillaud, Cabliau, Cabéliau, m. kabeljauw, m.

Cabillots, m. pl. juffers, rondhouten of karviel-nagels, knevels, enz. (op schepen).

Cabine, f. (corruption de cabane) kajuit, v.; kooi, v.; — (a roues), badkoetsje.

Cabinet, m. (dim. de cabine) klein vertrek: kantoor; studeerkamer, v.; kunstvertrek; kunstkabinet, waarin men eene verzameling van kostbaarheden en zeldzaamheden bewaart; — de toilette, kleed-, kapkamer; — d'aisanrcM. plee, No. 100; — de bains, badkamertje; — de peinture. de tableau*, kabinet van schilderijen; — d'histoire naturelle, kabinet van natuurlijke historie; — de médailles, muntverzameling; — de lecture, openbare leesbibliotheek; — de travail, — d'etude, studeerkamer; houiine de —, kamergeleerde; — dc consultations, spreekkamer; fig. de verzameling zelve; kast met schuifladen, v. kabinet; tuinhuisje, priëeltje; geheime Staatsraad, m.: geheime staatszaken, v.; ordre du —, kabinetsorder ; Ie — des Tuileries, de la llaye, het kabinet der Tuileritën, van den Haag; question

Sluiten