Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

411e les candidats, a Rome, étaient vètus de blanc) kandidaat (voor eene betrekking; bij een exam«B); -datare. f. kandidaatscliap; —de. a. openhartig, oprecht, onschuldig; —dement, adv. openhartig, onschuldig.

Candiote, a. van 't eiland Candia.

Candir, v. n. et se —, v. pr. stijf of hard worden (van suiker b.v.), kristalliseeren.

Cane, f. eend, v.; wijfjeseend, v.; fig. fam. faire la —, wegduiken, zich verstoppen (bij gevaar).

(am-liee, f. kassia: —oier, m. kassiaboom, m. Canepetiére, f. kleine trapgans, v. Caiie||pliore, f. korfdraagster, te Athene bij de godenfeesten: — pliories, f. pl. feesten van Diana.

Canepiii, m. dun en zacht schapeleèr. ( aueqiiiii, m. wit Indiaansch katoen.

Caner, v. n. pop. terugdeinzen (voor 't gevaar), ('aneiller, v. n. waggelen als eene eend; schreeuwen als eene eend; —ton, m. jonge eend, v.

( «nette, f. jonge of kleine eend, v.; bierkan, v. (zie cannette).

<'anevas, m. (ital. canevaccio, toile de chanvre) kanevas, zeildoek; stijf ongebleekt linnen; stramien (om op te borduren); fig. eejrste ontwerp; schets, v.

Catiezou, m. roklijfje, zonder mouwen. fCangrêne, /.ie («angréiie.

('angue, f. schandboid; kaak, v. (in China), ('aiiiclte, f. (lat. ca nis, chien) poedel, krulhond, m.

('anicullaire, a. tot de hondsster behoorend; jour» —s, hondsdagen, m ; clialeur —, warmte der hondsdagen; —Ie, f. (lat. ca nis, constellation du Chien) de hondsdagen, m.; hondsster, v.

taiiif, m. pennemes; fig. fam. donner de» roupH de — dam» Ie contrat, ontrouw in het huwelijk zijn.

Canin, e, den hond betreffend.

< anine, a. f. talm —, razende honger, geeuwhonger , m.; dent —, hondstand, oogtand, m.

(auitie, f. grijsheid (van haar), v.

Caniveaii. m. in 't midden uitgeholde groote steen midden door eene straat: gootsteen, m.

( anivet, m. fraaie en groote Amerikaansche papegaai, m.

Can| nage, m. het uitmeten met de el; het rottingvlechten; —naie, f. rietbosch, rietveld; rietplanting, v.; mie chaise —née, een uit riet gevlochten stoel, een rieten stoel.

('amie, f. (lat. canna, roseau) zekere ellemaat, v.; riet; Spaansch riet; rotting, m.; — a poimne d'or, rotting met gouden knop; — ploinbee, stok met looden knop; — a épee.a dard, — armee, degenstok; —, ijzeren werktuig, waarmede men het gesmolten metaal omroert; — a sucre, suikerriet; laire la —, batonneeren; — a p<»rlie, hengel.

('anneberce, f. kanneberg (soort van bezie), v.

< aiil|iielane. f. spijs van suiker, kaneel en reigermerg, welke men aan de valken geeft, om ze op de vogeljacht verhit te maken, v.; —nelas. m. oversuikerde kaneel, v.; — nelé, «•e. a. dat de kleur van kaneel heeft; datgootsgewijze «roeven heeft (van zuilen, enz.): — neler.

v. a. uithollen, met groeven maken: — nelier, m.; kaneelboom, m.; — nelle, f. kaneel: kraan aan een vat, v.; holte of goot aan de beide zijden van den naaldekop, v.; baton de—, pijp kaneel; poudrede —, kaneelpoeder; fig. mettre

valkhoff, F rang.-Ho 11. I.

en —, in verwarring brengen, vernietigen; — nelier, m. kaneelboom, m.; —nel 11 re. f. groeve in pilaren of zuilen, v.

Canner, v. a. met de el uitmeten; met rotting vlechten.

Camieütille, f. gedraaid zilver- of gouddraad; —tiller, v. a. gedraaid goud- of zilverdraad bewerken.

Cannette, f. kraan aan een vat, v.; spaansch rietje; weversspoelklosje; bierkan, v. (onnette).

tanniba|le, m. menscheneter, kannibaal; —lisme, m. 't gebruik van menschen te eten; fig. woestheid, wreedheid, v.

Canon, m. kanon; zwaar geschut; loop van een geweer of pistool, m.; pijp (in een slot, sleutel enz.); lange weversspoel, v.; het mondstuk aan het gebit van een paard; kous zonder voet, v.; ouderwetsche knieband, m.; maat voor bier, wijn (Vs liter); — rayé, getrokken kanon; monter, eharger, pointer, tirer un —, een kanon op 't affuit leggen, laden, richten, afvuren; un coup de —, een kanonschot; cliair a —, kanonnenvleesch (soldaten).

Canon, m. (gr. kanon, régie) recht; wet, v.; regel, m.; voorschrift; droit —, kerkelijk recht, kennis van de instellingen der kerk, v.; —des écritnres, canonieke boeken; gros —, petit —, kanonletter (bij de drukkers), v.; — empliytéotique, erf- of grondrente, v.

Canoni |al, ale, a. wat de canons der Kerk betreft, wat door de Kerk geregeld is; wat een'

domheer aangaat, er toe behoort; maison

—ale. huis van een domheer; heures —nies.

bepaalde uren, waarop in de Roomsche kerk gezongen wordt; —pat, m. (bas lat. ^anoni-

cus, cnanoine; uonineerscnap, uonineersamui: —eité, f. kerk wettigheid, v.; — que, a. dat met de regels der kerk overeenstemt, canoniek; —quement, adv. volgens de canons of kerkelijke wetten; — sation, f. heiliging, v.; heiligverklaring, v.; —ser, v. a. onder het getal der heiligen stellen; fig. in den hoogsten graad prijzen; se —, v. pr. elkaar bewierooken; —ste, m. leeraar in het kerkrecht.

Canonj|nade, f. het schieten met geschut; kanonvuur; — nage, m. kanonnierskunst, v.; —ner, v. a. met grof geschut schieten; beschieten; —nerie, f. geschutgieterij, v.; —nier, m. kanonnier, konstabel; —niére, f. soldatentent, die aan beide zijden open is; konstabelstent, v.; schietgat; klapbus (kinderspeelgoed); kanonneerboot, v.; clialoupe — blindée, cuirassée. gepantserde kanonneerboot, v.

Caiio||t, m. kleine Indiaansche boot, v.; kano, v.; — en portemanteau, boot, achter op het schip vastgemaakt; — tage, m. het varen met een sloep; —ter, v. n. schuitje varen; —tier, m. sloep-, bootroeier; liefhebber van schuitjevaren; ehnpeau —, matrozenhoed.

Cant, m. schijnheilige vormen (der Engelschen); eigenaardige woorden en uitdrukk. van eene bepaalde klasse menschen.

Cantabile (pr. bilé), m. aangenaam en sprekend muziekstuk, dat gemakkelijk kan gezongen worden.

Cantal, m. soort van kaas, v. (uit Auvergne).

Cantalalire. m. rand, m. of lijst, v. van de deur.

Caiitalou(p), m. kleine meloen, v.

Cantanettes. f. pl. kajuitraampjes.

Cantaüte, f. (lat. cantatus, chanté) cantate, v. (op muziek gebracht verheven dichtstuk); —tille (pr. tl-ie), f. kleine cantate, v.; —triee, (f. lat. cantatrix) zangster, zangeres.

7

Sluiten