Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COL-

schoolkameraad; mettre un enfant au—, een kind school doen; au sortir du —, bij 't verlaten der school; Ie — ent a la promenade, al de scholieren zijn aan 't wandelen.

Collé||gial. alè, a. wat tot een kapittel van kanunniken behoort; wat tot de school behoort: égliae —e, stiftkerk, v.; — gien, m. gymnasiast.

i'ollêgiie, m. ambtgenoot, collega, ambtsbroeder.

Collemeiit, m. samenkleving der oogleden, v.

t'oller, v. a. lijmen, plakken; met lijm of stijfsel aaneen hechten; dicht hechten; — une bille, een' bal onder den band spelen, il ent collc, zijn bal ligt vlak onder den band; — du vin, wijn met vischlijm schoon maken; avoir Ie» veux collcs sur qcli., iets stijf aankijken; avoir la bouclie collee mui* qch., de lippen lang op iets drukken; II est tou jours rol Ié »ur ses hoiKjuiiiH, hij zit altijd over zijne boeken gebogen; fam. — qn., iem. den mond snoeren, in de war brengen, foppen; ètre collé a un examen, niet weten te antwoorden; zakken; —, v. n. un pantalon qui «olie sur la jambe, een broek die nauw om het been sluit; se —, v. pr. kleven, aankleven; fig. fam. ergens pal tegen aan staan.

Col||leret. m. sleepnet; — lerette, f. vrouwen- en kinderkraagje, halsdoekje der boerinnen.

Colle||t, m. (rad. col) bef, v.; kraag (van een kleedingstuk); halsboord (van een hemd), m.; hals, m.; halsstuk aan verschillende dingen; strik, waarmee men dieren vangt, m.; — inoiité, stijve kraag; fig. iemand van groote deftigheid; cela est — inoiité, dat is ouderwetsch; prendre qn. au —, iemand bij den kraag vatten; petit —, kleine bef van roomsche geestelijken, v.; fig. geestelijke; — de moutoii, halsstuk van een schaap; —ter. v. a. (rad. col let) bij den kraag vatten, aanpakken; v. n. strikken spannen (om wild te vangen); se —, v. pr. elkander aanpakken, met elkander worstelen; fig. harrewarren, plukharen; — teur, m.strikkenzetter; —tier, m. wambuismaker; —tin. m. wambuis zonder mouwen; lederen manteltje der pelgrims.

Collétique, m. samenhechtend middel, hechtpleister.

Colleur, m. behanger, kamerbehanger; plakker. liimer (in papiermolens).

Collier, m. (lat. collum, cou) halssnoer; halsband, m.; haam of gareel (voor de paarden); natuurlijke ring om den hals van sommige dieren, m.; snoer aan het einde van een hoepnet, ordensketen der Kidders, v.; halsstuk van een' os, een schaap of kalf; ring van uitslag om den hals, m.; bakkebaard; fig. — de misère, dagelijksche harde arbeid; eheval franc du —, paard dat sterk trekt, zonder aanmoediging: lig. Iioiiime franc du —, oprecht, rondborstig man; onversaagd krijgsman; fig. doniier un coup de —, een krachtigen stoot aan een werk, eene onderneming geven.

Colliéres, f. pl. houtwerk dat tot grondslag van houtvlotten dient, leggers, m.

yColliger. v. a. (lat. colligere, réunir), verzamelen; de schoonste en merkwaardigste plaatsen uit een boek samenbrengen.

Colliuiation, f. collincation, f. het viseeren; ligne de —, gezichtslijn, kijklijn, v.

Codiiie, f. (lat. coIIis) heuvel, m.

Colliqua jtif. ive, (pr. koua) a. smeltend

(van de vochten in het lichaam); —tion, f. smelting, samensmelting, v.

Collision, f. (lat. collisio) botsing, harde wrijving o£ stooting, v.; une — de train.*, eene botsing van twee treinen; fig. botsing, v. strijd, m.

( ollo cation, f. orde, naar welke de schuldeischers betaald worden, v.

Collodion, m. (gr. kol la, colle, et eidos, ressemblance) oplossing v. van schietkatoen, in aether.

Colloïde, a. lijmachtig, geleiachtig; s. m. geleiachtige massa, v.

Collo||que, m. (préf. col et lat. loqüi, parler) redewisseling, samenspraak, v.; mondgesprek; —quer, v. a. (préf. col et lat. loc are, placer) de schuldeischers in klassen indeelen; fam. plaatsen; il lui a eolloqué son vieux mobilier, hij heeft hem zijn oude meubels aangesmeerd; — un soufflet, een klap toedienen.

Collul|dant, ante, a. het eens zijnde, onder één deken stekend; —der, v. n. eene heimelijke verstandhouding hebben, het eens zijn; — wioii. f. geheime verstandhouding, v.; —soire, a. bedriegelijk, wat door eene heimelijke verstandhouding geschiedt; — soiremeiit. adv. op eene bedriegelijke wijze.

Collutoire, m. mondspoelsel, mondspoeling v.: (gargarisme).

Collyre, m. uitwendig oogmiddel.

Coluiaj|tage. m. kunstmatige verhooging, v. van lage gronden; —ter, v. a. kunstmatig verhoogen.

Colouibage, m. rij van rechtopstaande balken in een gebouw, v.

Coloin be, f. (lat. columba) duif, v.(wijfje van een' dotter); — ramier, ringduif; rechtopstaande paal; yduifvormige hostiekelk; kuipersvoegbank; —beau, m. duifje; —bier, m. duivenhuis, duivenhok; pl. te veel wit tusschen de woorden (bij drukkers); soort groot formaat papier; lig. attirer les pigeons au —, klanten lokken ; chasser les pigeons du —, de lieden verwijderen; — bin, m. houtduif, v.; looderts: — bin, ine. a. duivenhalskleurig (tusschen rood en violet); — bine, f. duivendrek, m.; akelei (zekere plant), v.

Coloinbine, bruid van Harlekijn (in kluchten); —biiices, f. pl. duifachtige vogels, m.

Coloii, m. (lat. colonus; de colo, je cultive) bezitter eener landhoeve; planter,kolonist, m.; — partiaire, pachter, die de vruchten met den eigenaar deelt.

Cóloii, m. (gr. kólon, intestin) karteldarm. kronkeldarm, m.

Colonage, m. nederzetting van planters, v.; ontginning van het land door planters, v.

Colonel, m. kolonel; kolonelletter (bij drukkers), v.; lieutenant—, luitenant-kolonel, overste; —Ie, f. kolonels vrouw; la (compagnie) — Ie, (vroeger:) eerste compagnie van een regiment.

Coloni||al, ale, a. tot eene volkplanting of kolonie behoorend; den rees — ales, koloniale waren; —e, f. volkplanting,kolonie, v.; planters: la — penitentiaire de Mettray, de strafkolonie v. Mettray; —sable, a. gescliikt om tot eene kolonie gemaakt te worden; —sateur, trice. a. koloniseerend; s. m. kolonist; — sntion, f. vestiging eener volkplanting, v.; —ser, v. a. eene volkplanting of kolonie vestigen.

Colonllnade, f. zuilenrij, v.; rond gebouw, op zuilen rustend; —ne, f. (lat. columna;

Sluiten