Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l'opi-rulture, f. uitvoerige schildering, v. van planten (saus pk). , , ...

topic. f. (lat. copia, abondance) afschrift, kopie; in het net geschreven huiswerk; kopij .voor den zetter); nabootsing; evenbeeld of naiiper van een ander mensch; tirer <Iph —s, afschriften maken; puur — «•oilfiiriiie, voor eensluidend af-chiift; livre de — ile lettres ou copie, m. kopieboek.

lopier. v. a. afschrijven; namaken; nateekeneit; nabootsen; naiipen.

('opilleiiMeuiriil, adv. overvloedig, rijkelijk, veel, ruim; — pus, euse, a.(lat.copiosus; de copia, abondance) ruim, overvloedig, rijkelijk.

CopiNte. m. afschrijver, nabootser; kopiist; naiiper.

('opreneur, m. medepachter, medehuurder. ('opropliHge, a. (grec. kopros, excrement, et phagein, manger). zich met uitwerpsels voedend; —, m. mestkever, m. (Iiuiisiei). ('opropriétnlre. m. medeiügenaar. l'opropriétè, f. mede-eigendom, m. CiinrAMP f. klnnroos. V.

topte ou Cophte, m. Christelijke afstammeling der oude Egyptenaren.

('op tee. f. het kleppen van de klok; —Ier, v. a. kleppen, de klok kleppen.

Copula||tif, ive,a. samenvoegend, koppelend, verbindend; conjoiiction —live, verbindend voegwoord; —lioii, f. koppeling, paring, v.; —live, f. koppel woordje.

topulle, 1'. koppelwoord, verbindingswoord; —Ier, v. n. koppelen, paren.

('ou. m. haan: weerhaan; kloof van een zak„nrJrir V- f li h ii t du —. hanengekraai; route

routine uil —, zoo rood als een kalkoensche haan; au cliant du —, met het aanbreken van den dag; Ie - <le la paroi»»e. <lu village. t'.un. de baas of voornaamste van de buurt; «-(re coinuie 1111 — en pAte, een lekker leventje hebben, kunnen krijgen wat men verlangt; a validee mollet» de —, dunne kuiten hebben; la poule 11e doit pa» chauler devaut Ie -, de vrouw moet onderdoen voor den man; — «l inde, kalkoen; — lai»an. fazantenhaan; — de bruyère,— de bouleau, boschhaan (lelran); Ie — gatiloi», de Gallische haan (op Kransche

('oq.m.(holl. kok; lat. coquus),scheepskok. Coq-a-rAue. m.onsamenhangende rede, onzin; satirisch, opzettelijk onsamenhangend gedicht; plur. d«>» coq-a-l'Ane.

('oq-liéron, m. mannetjes-reiger, toq-de-mer. m. zeeëend, v.

('oquard, ('oqiiarl. m. bastaardt.izant, m.; oude, booze haan; fam. oude meisjesgek; gekookt ei (in de kindertaal).

('oquardeaii, m. zotskap, domkop, m. I'auiiniti*» m hnlf kanoën.

toque, f. (lat. concha, coquille) schaal, v. of dop, m. (van eieren, amandelen, noten); «rul* a la —, zacht ei; fig. il ue lalt que Morlir de la —, hij komt pas uit den dop, hij is nog niet droog achter de ooren; la — d'un iiitvire, de romp van een schip (zonder masten of tuig); —, strik; — declieveux, de rulmw, schaalvormig gevlochten haar, linten; — de perle», half bolvormige uitwas aan paarlemoer; —. popje of tonnetje van een' zijdeworm; kink, draai of kreuk in scheepstouwen.

Coquerigrue. f. watervogel, m. waarvan mpn v<*Ia t':il>»>leii vertelt.: a lit veiltie de» —»,

te Sint-Iutmis, nooit; fam.zottepraat,zotteklap,

m.: gekheid, v.; rai»onner eoinme uue

in 't honderd praten, beuzelen.

toquel'redouille. m. sukkel, stumper, bloed, toquelllieot, m. klaproos, v.; eouleur de —lieot. hoogrood; —liuer, v. n. fam. kraaien (als een haan); — lourde, f. keukenkruid, windkruid; — luelie, f. (vroeger) vrouwenkap; lig. fam. iemand, die overal goed gezien is; il e»t |a _ de toute» Ie» Femme», alle vrouwen zijn dol op hem; —, kinkhoest, m; het mannetje van de rietmusch; —luclion, m. soort van kap, zoo als de geestelijken dragen, v.; —mar, m. waterketel, m.

toque||melle. f. soort paddenstoel; —relle, f. jodenkers.

toquerico, m. gekraai van een haan, kukeleku, foquerie, f. groote keuken voor het scheeps¬

volk (op het scnip ot aan ïana;, v.

tonuenqiifi, v. n. maaien.

toquet, m. kleine schuit, v.; —I, ette, a. (rad. coq) behaagziek, coquet; keurig; —Ier, v. n. zoeken te behagen; —ter, v. a. wrikken meteen' riem; beter: godiller; —tier, m. eierkooper in het groot; eierdopje; — tteinent, adv. op behaagzieke wijze, keurig; — tte, t. behaagzieke, behaagzuchtige, verleidster; — tterie. f. zucht om te behagen, v.; keurigheid, v. toquillade, f. kuifleeuwerik, m.

toq ui lil lage, m. schelp, v. (als mossel, oester enz.); leege schelp; — lart, m. laag steenen vol schelpen, v.; —Ie, f. (dimin. decoque) schelp,

mosseisciieip, v., siumvciiuui^j^,

notedop, m.; - de uaere, paarlemoerschelp;

renirer uau» »a —, m /.ijuc »uuuip il ne fait que »ortir de »a —, hij komt pas uit den dop, hij is nog niet droog achter de ooren; portez ailleur» vo» —», maak dat anderen wijs; faire payer, ue pa» douner Me» —». iets duur verkoopen; e'est une — de noix, het is een notedop (klein vaartuigje);

—, scneipvormig scnoteuje, hcuciaiijc papier —, soort gelijmd papier, met een schelp tot merk; oren -, schelpgoud, goudpoeder (ter

versruldinir): —. pan van een geweer, v.; ncnierije

aan de klink eener deur: koetsiers voetbank, v.;

verkeerde letter op een afgedrukt blad, v.; rand van een hoed, m.; fam. waren, v.; uitschot; slechte waar; —Ié, a. pain —Ie, blazerig brood; — Ier. v. n. blazerig worden; ongelijke holligheden krijgen (van het brood, wanneer het niet gaar genoeg geworden is); —leux. eu»e. a. pierre —leu»e, steen, die vol horens en schulpen is, m.; —lier, m. verzameling van schelpen, v.: doos met schelpen, v.; — lier, — lière, a. schelpen bevattend; pierre —liere. schelpsteen, m.; —Ion, m. schelpje.

t'oquil! n, ine, a. schelmachtig, ondeugend, nietswaardig; —n. m. schelm, deugniet, mailre —, franc —, üefle —, doortrapte schurk; ver —, lintworm; — ne, f. slecht, ondeugend vrouwspersoon; —, a. schurkachtig, nietswaardig; — ner. v. n. een liederlijk leven leiden; —nerie. f. schelmerij, v.; guitenstuk; —net, m. schavuitje, bedriegertje.

tor, m. (lat. cornu, corne) horen; likdoorn, m.; — de elia»»e, jachthoren; a — et a cri, adv. met blazen en schreeuwen (op de jacht); tig. met groot geweld of getier; — a piston», horen met kleppen; donner, »oimer du —, op den horen blazen; au »on du — ,bij 'thorengeschal; —. hoornblazer; —». m. pl. einden,

uitspruitsels aan 't gewei van een hert.

torace», m. pi. ravengesiaciu.

Sluiten