is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een flinken slok nemen; «lonner 1111 — de tclégraplie, een telegraphisch bericht afzenden:

— de malheur, ongelukkig voorval, rampspoed, slag, m.; au - de 5 beuren, op slag van vijven; — de dé», worp, gooi, m. (met de döbbelsteenen); — de ebapeau, groet, m : saus

— férir, zonder slag of stoot; ètre sous Ie

— de..., bedreigd worden door...; tout 41 —, adv. eensklaps, in een oogenblik, plotseling; tout d'un —, adv. in één slag, tegelijk; a — sur, adv. zeker, gewis, ongetwijfeld; — M„r slag op slag, aaneen, onmiddellijk Da elkander; lig. uianquer sou —, niet slagen; aprés —, adv. ontijdig, te laat, achter het net; eiicore 1111 —, nog eens, voor de laatste maal;

lo _ » 11. — mlv. ditmaal, voor ditmaal;

a tous —s, alle oogenblikken, telkens: du —, terstond; a tout —, telkens, ieder keer; proy. faire «Tune plerre deux — s, twee vliegen in één' klap slaan; monter uil - a qn., iemand om den tuin leiden; pour Ie —, c'en est trop! voorwaar, dat is te erg!

<mililp. a. Hat. culDabilis: de culpa.

faute) schuldig, strafbaar, misdadig; m. et f. schuldige.

m Ip — du vin. het versnijden

(verzwakken) van den wijn; droit de —.recht om het hout te hakken.

Coupniig. m. kobang, m. (Japansche gouden zilvermunt).

Coupant, ante, a. snijdend, scherp; s. m.

c.ihoi'np kant. schprtt.

Coupe. f. wijze van houwen en snijden; snede, doorsnede; het afnemen (coupeeren) van de kaarten; afhouwing van een bosch, v.; tijd daartoe; slag; meltre un bui» en - reglee. uil nar ppn hp.nanlrl jredeelte van een bosch

hakken; lig. mettre qn. en — reglee, lem. geregeld geld afhalen: — dïiabit. snit van een jas, m.; ce drap est beau a la —. dit laken is mooi op de snede; — de» elieveux, hot vün het haar: — den uierrew.

het steenhouwen; — d'un escaller, etc..

maaksel, bouwsel van eene trap; faire nauter la —, de beide pakjes kaarten bedriegelijk leggen als vóór het coupeeren; fig. ètre sous la — de qn.. van iemand afhankelijk zijn; tirer na —, het water klieven bij het zwemmen.

Coupe, f. (lat. cuppa), drinkbeker; kelk (bij

lipt Mpilicr Avnnrlmauh.

Coupé, m. pas in het dansen, waarbij een been achter of voor het andere komt, m.; —, m. rijtuig met twee zitplaatsen, voorste afdeeling (van een diligence); — simple, afdeeling van een wagon met geen plaatsen er tegenover; — chaise a porteur. gesloten draag-

knpts. v.

Coupé, ée, part. et a. gesneden, gehouwen enz.; lig. kortbondig, beknopt; met grachten, rivieren enz. doorsneden.

Coupe-hourgeon, m. knoppenbij ter, kever, m.

Coupe-hoiirse, m. beurzensnijder, (naam eener bende gauwdieven uit den tijd van Hendrik IV).

Coupe-eerde, m. snijstuk aan een' passer; kraanhnnr. v.

Coupe-choti, m. (pop.) slakkeprikker, m. (sabel der infanteristen).

CoiiDP'fifftirf» m. siirarenk nippertje.

Coupe-cors, m. likdoornsnijder; mes voor de likdorens; pl. des coupe-cors.

Coupe-rul, m. spel zonder revanche.

Coupe-faucille, m. gewone leeuwenbek, (plant) (muflier).

Coupe-ga zo 11. m. spade, v. om de zoden af te steken.

Coupe-gorge. m. moordhol, fig. elke plaats, v. waar men bestolen, bedrogen enz. wordt; pl. des coupe-gorge.

Coupe-jarret, m. struikroover, moordenaar; pl. des cimpe-jarrets.

Coupe-légumes, m. groentesnijder, m. (werktuig).

Coupé-lit, m. slaapcoupé.

Cou pel lat ion, f. uitsmelting van zilvererts met lood, v.; —Ie, f. smeltkroes, waarin men

het goua en zilver ïouieri. 111.; Krunwuup vu«i de artillerie), v.; —Ier, v. a. met den smeltkroes louteren.

Coupe-paille, m.stroosnijmes; hekelbank, v.; pl. des coupe-paille.

Coupe-papier, m. papiermes; pl. des coupepapier.

Coupe-pate, m. deegmes; pl. des coupepa te.

Coupe-queue. m. zeemtouwersmes.

Couper. v. a. snijden,besnijden; doorsnijden; houwen, hakken, afhouwen; maaien, afmaaien (hooi enz.); eene snede doen; de kaarten afnemen, coupeeren; — la gorge, de keel afsnijden, vermoorden; fig. te gronde richten; — Ie sullet

a qn., tem. ae Keei uisuyutrii, ug. rem. zwijgen opleggen; — Ie cheinin a qn..iemand den weg afsnijden, den toegang benemen; — la bourse a 'qn., iemand de beurs afnemen; — la vapeur. den stoom afsluiten; — dans Ie vif, in 't levende vleesch snijden; fig. doortastend zijn; afdoende maatregelen nemen; — du vin, verschillende soorten van wijnen met elkander vermengen; wijn versnijden; — du lait. melk met water vermengen; fig. — l'herbe sous les pieds a qn.. iemand bet gras voor de voeten wegmaaien; — bras et jambes a qn., aan iemand alle middelen ontnemen om te kunnen handelen; iem. moedeloos maken;

— la lievre. de koorts uoen opnouaen; — »«*» rables, les mats, de kabels, de masten kappen;

— la coimiiunicatioii d'une ville, de gemeenschap met eene stad afsnijden; fig. — les vivres a qn., iem. zijne middelen van bestaan ontnemen: — la parole a qn., iem. in de rede vallen; hem het stilzwijgen opleggen; — un cheval, een paard ruinen; —, v. n. snijden, scherp zijn; (in het dansen) de knie buigen;

— court, fig. kort afbreken, kort gaan; coupez court, je vous prie. maak het kort, als 't u blieft; — court a qeli., korte wetten met iets maken; se —, v. pr. zich snijden, zich kwetsen; elkander snijden: zich strijken (van paarden sprekend); fig. zich tegensprekend; fig. se — la gorge. zich in 't verderf storten; «e — la gorge avec qnM met iemand een tweegevecht aangaan.

i/oupe-racineisi, in. wurieiiue».

Couperet, m. breed keukenmes, hakmes.

Coupe||rose, f. koperrood; vitriool,m.; roode vlekken in 't aangezicht; —rose, ée, a.puistig, vol roode vlekken.

Coupe-tète, m. haasje-over (zeker kinderspel).

Coupeur, m. euse, f. hij of zij, die iets afsnijdt; wijnlezer enz.; kleermaker die bepaaldelijk met het snijden en knippen belast is, knipster; hond, die het wild den weg zoekt af te snijden; — de bourses, beurzensnijder,