Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dppph. m.(lat. deccssus, départ) het overlijden of sterven; acte de —, acte van overlijden, doodsacte; beter: extrait mortnairp.

yDerefvable, a. dat bedrogen kan worden, misleidbaar; —vant, ante, a. bedrieglijk, misleidend; — voir, v.a.(lat.decipere) bedriegen, misleiden.

Ih><hai nement, m. ontketening, v.: vervoering, verbittering, hevige opstuiving (tegen iemand), v.; — ner, v. a. (préf. dé et eliaine) ontketenen, ontbinden; Hg.aanhitsen, opstoken; Me —, v. pr. lig. eontre qn., geweldig tegen iemand uitvaren of opstuiven.

ftpchalandpr, v. a. iemand de klanten aftroggelen.

Décnalaaapr, v. a. de wijngaardstaken wegnemen.

Derlialpiiipnt, m. het terugwijken van de .zee; het droogloopen (van een wrak enz.); —Ier, v. n. terugwijken (van de zee); droogloopen(van een wrak, het strand).

Pérhaiiter, v. n. fam. op een' minder hoogen toon spreken, een toontje lager zingen.

Déctiapproimer, v. a. den valk het kapje afnemen; de kap van een muur nemen.

Dérharjlgp. f. ontlading, aflading, lossing; losbranding van stukken geschut of geweren tegelijk, salvo; vrijspraak; verlichting; kwijting; bewijs van ontvangst, reru; kamer, waarin men allerlei rommel bergt, v.*; vuilnishoop; drop, m. (plaats, waar het water zich ontlast, dat van de daken druipt); gemetselde boog: uitstekende balk; band, m. (plank); — piihliqne, plaats, waar puin. vuil enz. mag neergestort worden:

— d'nn ncciisé, vrijspraak van een' beschuldigde; piitpndrp Iph témoiiis a de getuigen vó(Sr den beschuldigde hooren; témoina a charge et a —, getuigen vóór en tegen: la

— de la fPiiSfieiice, de vrijspraak van 't geweten; la — dn canon, het losbranden der kanonnen, kanonvuur; tnyan dc —, ontlastingsbuis: — gpnipnt. m. ontlading, lossing van goederen uit een schip, v.; — gpoir, m. weversboom, m.; — gpr, v. a. ontladen, lossen (van goederen uit een schip enz.); ontlasten, verlichten; afschieten, losbranden (van geschut); vrijspreken; zijn naam teekenen, dat men voldaan is; een' houw toebrengen: den zeilen minder wind geven; hp —, v. pr. zich ontlasten, zich verlichten; zich uitstorten in . . . (van rivieren); afgeven (van kleuren); geen water houden (van eene pomp); fig. — noii eciMir, zijn hart ontlasten, uitstorten; hp faire — nuiie tntelle, zich van eene voogdijschap laten ontheffen; — mi acetisc, in het voordeel van een' beschuldigde getuigen;

— mie arme a feu, een geweer afschieten:

— aa bilp, zijn gal uitstorten, uitspuwen; — la elinloupp, de sloep uitzetten; — la pompp, «Ie pomp lens maken; la rfviére ap — dan» la iner. de rivier ontlast zich in zee; ppttp couleur np —, die kleur geeft af; —gpnr. m. ontlader, losser (der schepen).

Drrliarüné, pp, part. et a. zeer mager, uitgeteerd: lig. droog (van stijl enz.); — «pr, v. a. (préf. dé et rhair) ontvleezen; vermageren, uitteren; te sterk snoeien (van een boom).

Déeliaaae, m. danspas, naar de linkerzijde, m. (tegenovergestelde van chassé).

Derliawaer, v. a. een' spijker uitslaan of uitdrijven: v. n. naar links dansen.

Dpeliftulliuage, m. het omwerken van een

stoppelveld; — iner, v. a. een stoppelakker omploegen, de stoppels onderwerken.

Derliana||aagp,m.zie DérliauaÜseinpnt; -se, pp, part. et a.blootsvoets, barrevoets; mur —8e, muur, waarvan de fondementen bloot liggen; —Mement, m. het losgraven van de aarde om een' boom, om de wortels lucht te geven: het blootmaken, het blootliggen van de tandwortels; —aer, v. a. schoenen en kousen uittrekken; — de» arbrea, de aarde om de boomen losgraven:

— une dent, het tandvleesch om een' tand losmaken; — un inur, de fondementen van een muur blootleggen; fig. II n'pat pan digitp dp lp —, hij is niet waard hem de schoenriemen los te maken, hij staat ver beneden hem; se» dent* eommeneent a mp het tandvleesch begint van zijne tanden los te laten; — «én ou dérhanx, a. rarmpa —, karmelieter monniken (die barrevoets gingen): — aiérp, f. zie DechaiiManrp; —woir, m. werktuig, waarmede men het tandvleesch losmaakt; —sure. f. wolfsleger.

Dérhanx, zie Déchaiiaaéa.

Dèehe, f. (arg.) ctre dans la —, in geldverlegenheid, ellende zijn.

Déchéance. f. verlies der kroon, des troons; afschaffing, vervallenverklaring van de souvereine waardigheid; vervalling (van een recht), v.

Déeliet, m. afval, m.; afvalling, afneming, vermindering in waarde, v.: verlies.

Dérliell vplpr, v. a. de haren uitrukken, de kap aftrekken; — vètrer, v. a. den halster afdoen.

Déclieyillpr, v. a. lospinnen.

Décliifüfrable. a. dat ontcijferd kan worden :

— frempnt. m. ontcijfering, v.; — frer, v. a. (préf. dé et eliiflre) ontcijferen, verklaren; fig. ophelderen, ontdekken; van 't blad, op 't eerste gezicht, spelen of zingen; — qn.,iemand doorgronden in al zijne bedoelingen; — frenr, m., pump, f. ontciiferaar. onoijferaarster van geheim schrift.

Dérniqnpjltpr, v. a. aan vele en kleine stukken snijden, doorkerven; doorslaan (van stoffen); onhandig snijden; — tenr, m. kerver, uitsnijder; —tnrp. f. kerf, insnede, uittanding, v.

Dér lil!! rage, m. het sloopen van oude schepen: boia de —, brandhout van oude schepen; — rant, ante, a. hartverscheurend; crla — ranta, jammerkreten; — rpnipiit, m. verscheuring, oprijting, v.: — d'piitraiHpN, hevige pijn in het lijf, v.; fig. — dp eorur, harteleed, hevig verdriet; —rer, v. a. (all. scheren, couper) verscheuren; oprijten; vaneenrijten; fig. schenden, lasteren; — lp cceur, het hart verscheuren: hevig aangrijpen: de» batpanx, une voiture. schuiten, een rijtuig sloopen; — Ipa orplllpa. het oor onaangenaam aandoen; — lp apin dp la tprrp, den grond omploegen; — la toile. een ongeregeld pelotonvuur afschieten; fig. — qn. a bpllpH dpiit*, geen haar aan iemand goed laten; prov. eliien hargnpiix a tonjonra IV rpillp deehirép, een vechtersbaas loopt altijd met een blauw oog: — la réputation dp qn.. iemands goeden naam bezwalken; bp —, v. pr. verscheurd, gescheurd worden; elkander verscheuren; fig. elkander belasteren, beleedigen: zich vanéén scheiden (van water sprekend»: —reur, m. verscheurder; slooper van oude schepen, oude rijtuigen: — rurp, f. scheur, v.; gat.

Deehoir, v. n. (préf. dé et cliolr) vervallen, in verval raken; afnemen: afvallen; — dp qrli., iets verliezen.

Dérhouer, v. a. wederom vlot maken (een schip).

Sluiten