Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Désespoir, m. wanhoop, vertwijfeling, v.; étre au —, wanhopig zijn; lig. zeer verdrietig zijn, in den hoogsten graad betreuren; faire qeh. en — de eause, iets als laatste redmiddel beproeven.

Désestimer, v. a. minder achten, ophouden te achten.

Desliabil || lé, m. nachl gewaad; huiskleed;—Ier, v.a. ontkleeden, uitkleeden; se —, v. pr. zich ontkleeden; het priesterlijk plechtgewaad afleggen.

Déshahité, êe, a. onbewoond.

Déshabituer, v.a. afwennen, ontwennen; se —, v. pr. de qcli., zich iets afwennen, ontwennen.

e * i u* ... ■

«»i njumiiiuiur. i. inccuirtuui, v.; — nnrmo-

nier, — harmonieer, v. a. de eensgezindheid, de goede harmonie verstoren.

Désliérence, f. (préf. dés et lat. haeres, héritier) gemis van wettige erfgenamen, zoodat de erfenis aan den staat vervalt.

Désherber, v. a. van onkruid zuiveren. Désheri||té, e, a. onterfd; misdeeld; m. et f. onterfde; misdeelde, arme; — tement, m. onterving, v.; —ter, v. a. onterven.

Désheullrer, v. a. iem. uit zijn geregelde doen brengen; mie horloge —rée, een klok, die een ander uur slaat dan de wijzers aangeven.

Dcshoiiiié||te, a. onbetamelijk, onfatsoenlijk; —tement, adv. op eene onbetamelijke, onfatsoenlijke wijze; —teté, f. onfatsoenlijkheid, onbetamelijkheid, v.

l>ésliomieur, m. oneer, schande, v. l)eshoiio||ral>le, —rant, ante, a. onteerend, smadelijk; —rer, v. a. onteeren, schande aandoen, schenden; — iiii bAtiinent, een gebouw ontsieren; — uii arbre, een boom verminken, door hem van de kruin te berooven.

vesnivurogcner, v. a. van waterstof berooven.

DPMideratum, m. (pr. dézidératome) (m.

lat. qui signilie chose désiróe) zaak, die men wenscht te bezitten, v. ontbrekende zaak; plur. des desiderata.

DeMignaüteiir, m. plaatsaanwijzer, ceremoniemeester; —tif, ive, a. aanwijzend, aanduidend; —tion, f. aanwijzing; benoeming, v.

Designer, v. a. (lat. désignare; du préf. de et signare, marquer) aanwijzen, te kennen geven; — qn. a la liaine publiqiie, iem. aan cle algemeene verachting prijsgeven; —, aantoonen; bepalen; benoemen.

l>êsillii ||mIoii, f. ontgoocheling, v.; — sionner, v. a. ontgoochelen.

Désincorporer, v. a. de inlijving ophelïen of te niet doen: van één scheiden.

Desinence, r. (lat. desinere, finir) uitgang van een woord, m.

Desinfatuer. v. a. iemand van eene dwaze meening, zotte inbeelding afbrengen; iemand de oogen openen.

Desinfeelltaiit, e, a. ontsmettend; m. ontsmettingsmiddel; —ter, v. a. ontsmetten; — tion, f. ontsmetting, v.; —teur, a. ontsmettend; apoareil — teur, ontsmettingstoestel.

Desintéresllsê, ée, a. belangeloos, onpartijdig; niet belang hebbend, niet betrokken bij; — seinent, m. belangeloosheid, onpartijdigheid, v.; —ser, v. a. on., iemand schadeloos stellen, voor zijn aandeel tevreden stellen; »e —ser sur qch., a l'égard de qrli.9 zich voor iets schadeloos stellen; se — de la politique, geen belang meer stellen in de politiek.

I)ésinves||tir, v. a. de blokkade opheffen; fig. het recht of de bevoegdheid tot iets ontnemen; —fisseineiit, m. opheffing der blokkade, v.;

berooving van een recht of bevoegdheid, v.

Désinviter, v. a. een geuoodigde afzeggen, verzoeken niet te komen.

Désinvolllte, a. los, ongedwongen, onbelenimeid; — ture, f. (ital. desinvoltura) bevaU lige losheid van manieren, v.

Dési || r, m. (lat. desiderium) verlangen; wensch, m.; begeerte, v.; lust, m.; au gré de nies —s, geheel naar wensch; — rable, a. wenschelijk; —ré, e, a. gewenscht, begeerd; Ijouis Ie —, Lodewijk de Gewenschte (bijnaam van Lodewijk XVIII); —rer, v. a. verlangen, wenschen, begeeren, lust hebben; se faire —, op zich laten wachten; — reux, euse, a. begeerig. verlangend.

Désislltemeiit, m. afstand (van een recht enz.), m.; se —ter, v. pr. (lat. desistere, cessen de qch., van iets afstanddoen; iets laten varen.

Denman, m. muskusrat, v.

Desinodére, m. Braziliaansche houtkever, m.

Désobe||ir, v. n. (a qn.) ongehoorzaam zijn, niet gehoorzamen; je ne veux point ètre désobéi, ik duld geen ongehoorzaamheid; — iHsance, f. ongehoorzaamheid, v.; —issant, ante, a. ongehoorzaam.

pésoblillgeaminent, adv. op eene onheusche wijze; —geance, f. onvriendelijkheid, onheuschheid, norschheid, v.; — geant, ante. a. onbeleefd, onheusch, norsch; — geante, f. nauw rijtuig voor twee personen; —ger, v. a. qn., iemand een slechten dienst bewijzen, voor het hoofd stooten, beleedigen.

Désobstrullaiit, e, ou Désobstrurtif, ive, a. tegen de verstopping; m. middel tegen de verstopping; —er, v. a. ruimen, opruimen; de verstopping wegnemen.

Désoecullpation, f. ledigheid, v.; — pé, ée, nart. et a. zonder bezigheid, leriitr: ni» — i»#t. v.

pr. zich van bezigheid ontslaan.

Désa'u||vré, ée, a. werkeloos, ledig; — vremeiit, m. werkeloosheid, ledigheid, v.; — vrer, v. a. (préf. dés et oeuvre) de bladen papier van elkander los maken.

I>é*o||lant, ante, a. bedroevend, treurig; ondragelijk; — latenr, trice, a. verwoestend; m. et f. verwoester, verwoestster; —lation, f. verwoesting; groote droefheid, v.; —Ié, ée, part. et a. verwoest; zeer bedroefd, troosteloos, mismoedig; —Ier, v. a. (lat. desolare) verwoesten; diep bedroeven; kwellen.

l)ésopi||lant, e, a. de verstopping ophelVend; fig. lachwekkend, vroolijkmakend; — latif, ive. a. openend, de. verstopping wegnemend; —lat ion. f. opening eener verstopping, v.; —Ier, (préf. dés et lat. opilare, boucher) v. a. de verstopping wegnemen, openen; fig. et fam. — la rate, hartelijk doen lachen (eig. de verstopping van de milt wegnemen).

Désordonllné, ée, a. onordelijk, ongeregeld; liederlijk; buitensporig; onmatig; — néinent, adv. ongeregeld, onordelijk; op buitensporige, onmatige wijze.

Denordre, m. (préf. dés et ordre) wanorde, verwarring; buitensporigheid; twist, oneenigheid7 v.; uitspatting, v.

l)esorgani||sateur, trice, a. in wanorde brengend, ontbindend, oplossend, verwoestend: —, m. ordeverstoorder, wanordestichter; —sation, f. verstoring, wanorde, beroerte, tweedracht, v.; —ner, v. a. verstoren, in wanorde brengen, beroeren, tweedracht zaaien; se —ser, v. pr. ontbonden, opgelost worden; verwoest wurden. l)esorien||té, e, a. van den weg geraakt,

Sluiten