Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kbotter, v. a. toppen, afkappen, de dikke takken bij den stam afsnijden.

Kbouijage, m. (préf. ex, é et boue). wegruiming van het straatvuil; —er, v. a. een straat schoonmaken.

Kbouillir, v. n. verkoken, inkoken.

Kbou||lemen(, m. invalling, instorting, inzakking, v.; —Ier. v. n. et »*—, v. pr. invallen, instorten, inzakken; —leux, enne, a. voor instorting vatbaar, licht invallend; — li*, in. puin, gruis.

I'ibouqueter, v. a. ontdoen van de blad-

Knoppen.

Kboiirgeoii nemen*, m. het afsnijden van onnutte ranken of knoppen; — ner, v. a. (préf. ê et bourgeon) ontdoen van de onnutte ranken en bladknoppen; — neurt* ou — neux, m. pl. vogels, die de knoppen vreten, m.; —noir, m. groot snoeimes.

KbourillfanL e. a. verbijsterend, ontzettend; — IV'. ée, a. verward (van 't haar); lig. ontdaan, ontzet; — fer. v. a. ('t haar) verwarren, in de

ug. uiusieneu, veroiuiien.

Kbourrer. v. a. ontharen.

Kbousiner, v. a. (préf. é et bousin), steenen door hakken ontdoen van de korst.

Kbraisoir. m. groote vuurschop, v.; vuurhaard, m.

I^hraiiehnge, — clieiiien(. m. het snoeien of dunnen (van boomen); —cliage, m. de afgesnoeide takken; —elier, v. a. (préf. é et

uruncaej (een oooini snoeien or dunnen; —clioir, m. snoeimes.

Kbrair'leineii(, m. schudding, schokking; ontroering, ontsteltenis, v.; —Ier, v. a. schudden, schokken, sterk bewegen; fig. doen wankelen; ontroeren; , v. pr. schudden; lig. verschrikken, ontsteld worden: zich in beweging zetten; in verwarring geraken.

Kbra cement, m. verwijding der binnenste opening van eene deur enz., v.; —ser, v. a.

van uiuufii verwijueu <eene ueur enz.».

Kbréclieiiien(, m. het schaardig maken.

Kbrecher, v. a. schaarden maken, kerven; lig. schaden, benadeelen.

Kbreiier, v. a. fam. een kind, dat zich bevuild heeft, reinigen.

Ébriélé, f. (lat. ebrietas; de ebrius, ivre) dronkenschap, v.

yKbrillade, f. ruk met den toom, m.

Kbroïcien, iemie, a. (de Ebroicum, nom lat. d'Evreux), m. et f. inwoner, inwoonster van Evreux.

Kbrou||emeii(, m. gesnuif van een paard; —er, v. a. doek enz. in water uitspoelen; «*—er, v. pr. proesten, snuiven (van paarden); —er. (rad. b rou) ontbolsteren (noten); —euëe, f. afschaalster van noten.

Kbruijltatioii, f., — teinent, m. het ruchtbaar maken; —fer, v. a. ruchtbaar maken; , v. pr. ruchtbaar worden.

Kbiiitrd, m. houten beitel, waarmede men hout splijt, m.

1-ibulli oscope. m. ebullioscoop (instrument om het alcoholgehalte van spiritualiën te be¬

palen); —(ion, f. (lat. ebullitio; de ebullire bouillir) overkoking, v.; uitslag op de huid, m.; chaleur d*—, kookhitte, v.; point d'—, kookpunt'.

Kburné, ée, a. ivoorachtig.

Krallehé, ée, a. plat, breed; —clieinen(, m. verplettering, v.; — elier, v. a. verpletteren, platdrukken of slaan; — eheurd'or, m. goudslager.

Eeafer, v. a. het rijs of riet spouwen, splij. ten (bij mandenmakers).

Krailülage, m. afschilfering, v.; -Ie, f. schub of schubbe (van een' visch); schelp (van eene oester, enz.), v.: schaal (schild) van een schild-

an; scnnter (van de huid); splinter (van marmer, rons enz. dat men hewprktv — « fl'l.

oesterschalen; (al»a(iére d'—, schildpadden snuifdoos; — de mer, harde steen tot het wrijven der verven; les -» lui sont tonibee» de» yeux, de schillen zijn hem van de oogen gevallen; —Ié, ée, part. et a. geschubd, schubbig; schelpswijze gewerkt; —leuient, m. het openmaken der oesters; afschilfering; schilfers; — Ier, v. a. de schubben afdoen, schoon maken (van visch); »*-. v. pr. afschilferen: —Ier, m. iere, f. oesterman, oestervrouw: —leur, m. man, die de oesters open maakt; —leux. euse.'a. schuhhiir. se.hilfp.ri»*? —ion...

f. oester vrouw.

Kca||le, f. schel of schil, schaal, v.; dop, bolster (van een noot) m.; —Ier. v. a. ontbolsteren, doppen; »*—, v. pr. uit den dop of bolster gaan; afschilferen; —leu.se, f. vromv die noten ontbolstert; —lure, f. harde schil van sommige vruchten.

Keang, m. zwingel, m. (hout, waarmede men het kaf, enz. uitklopt).

Kcan||*uer, v. a. het vlas zwindelen; -

gueur, m. zwingelaar (van het vlas).

Ecarbouiller. v. a. fam. verpletteren, de hersenen inslaan.

Kcarla||(e, f. scharlaken; den yeux borde*

d —, oogen met roode randen; graine d"—. scharlakenbezie, kermes; —tin, m. roode wollen stof, v.; appelwijn, m.; -tine, a. zie sear. latine.

Kca rq uil lement, m. spreiding der beenen, v.; het wijd openen, het opensperren der oogen; —Ier. v. a. de beenen van plWam- snr»>i<i*>n- ,1p

oogen wijd openen, opensperren.

Kcar||t, m. afwijking, ontwijking, v.; zijsprong, m.; afdwaling van de hoofdzaak (in eeiie rede», v.; atgelegen plaats, gehucht; lig. buitensporigheid, v.; weggeworpen kaart, v.; a V—, adv. ter zijde: mon cheval fit un —, mijn paard deed een zijsprong; ineiier qu. a I*—, iemand terzijde nemen (om hem te spreken); niettre a ■-j terzijde leggen; il »e (enai( a I'—, hij hield zich achteraf; ce jeune homilie fait de« —s, deze jonge man doet buitensporigheden; — Ié. ee. nart. et a. VP.PRf.rnmH

verwijderd enz.; afgelegen; m. soort kaartspel.

Kcar|| (élement, m. het vierendeelen; —teler, (préf. é et lat. q uartus, quatriome) v. a. vierendeelen; een veld in vieren verdeelen (wapenk.).

I>ar tenient, m. afzondering; ontwijking, v.; —ter, v. a. (rad. écart) verwijderen, afzonderen, verstrooien; afwenden; eenige kaarten wegwerpen (in het spel), om er andere voor in de plaats te nemen; ce fuoil écarté, dat ge-

Sluiten