is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(«uaiio (pr. goua), m. (péruvien huano) vogelmest, guano, m.

tiué, m. (lat. vadum) waadbare plaats, ondiepte in eene rivier, v.; passer a —, doorwaden; sonder Ie —, fam. onder de hand iets zoeken te vernemen.

(■néable, a. waadbaar, ondiep.

(Hiêbres, ra. pl. de volgelingen van Zoroasters leer.

(jnêde (pr. gai), f. weede, v. (plant); donkerblauw.

(■neder, v. a. met weede donkerblauw verven. <■ neer, v. a. (een paard) in 't wed brengen; (linnen) spoelen, afwasschen; doorwaden.

(■uelle, m. Guelf of Welf (aanhanger der Pauselijke partij tegen de Gibellijnen).

(■uenil||le, f; lomp, vod of vodde, v.; oud versleten kleed; —Ion, m. vodje, lor.

(■uenipe, f. fam. morsebel, totebel, slet. (ïuenoii, f. meerkat (wijfje van een aap), v.; lig. fam. leelijk vrouwspersoon; apengezicht. .

(>iienu||elie, f. meerkatje; fig. fam. kleine, leelijke vrouw; — ehon, m. klein meerkatje. («népard, m. tijgerwolf, m.; jachtluipaard. <>iiè|»e, f. (lat. vespa) wesp, v.; —frelon, horzel, v.; —ieliiieuiiioii, sluipwesp, v.

(•m pier, m. wespennest; lig. netelige zaak; bijenwolf ( vogeltje).

j-(iluer||doi), m. loon; huur, belooning, v.; f—doniier, v. a. beluonen.

(■uère ou tiucres, adv. (anc. haut allem. weigaro, beaueoup) ne . . —, weinig, niet zeer, niet dikwijls, niet gemakkelijk; il ne s'en taiit de — qne, het scheelt niet veel, of...

(ini-ret. m. omgeploegd, nog niet bezaaid land; braakland, braakveld; pl. (dichterlijk:) velden, beemden.

(■iieridon, m. tafel(tje) met één poot; lichtdrager, knaap, waarop men licht zet, m.; hoosvat.

(■iiérilla (pr. ril-la ou ri-ia), f. (m. esp. de guerra, guerre) kleine oorlog, m.

(iuerilleros (pr. ril-lo ou ri-io), m. pl. Spaansche lichtgewapende soldaten, die den guerilla voeren.

<iiiéi!rir, v. a. genezen, heelen; herstellen; v. n. genezen, gezond worden; se —, v. pr. genezen worden; fig. zich genezen of genezen worden (van iets); — risoii, f. genezing; heeling, herstelling, v.; — rissahle, a.geneesbaar; — seur, m. fam. kwakzalver; genezer, heeler; — de ItPMtiaux, veearts.

(■nerite, f. schilderhuisje; schildwachthuisje; wachttorentie; — de garde, baanwachtershuisje.

(■uerlaiide, f. band in den boeg van een schip, m.

(■iierlinguet, m. eekhorentje in Guiana. (■uer||re, f. (haut allem. werra, querelle) krijg, oorlog, strijd, m.; fig. twist, m.; tweespalt, v.; — êtraiigêre, buitenlandsche oorlog; — eivile, — iiitestine, burgeroorlog; — iiiaritiine, zeeoorlog; iiom de —, aangenomen naam; (vroeger: naam, dien men in den krijg aannam);

— sainte, kruistocht; a la — comiiie » la —, in den oorlog gaat 'tniet anders; prov. qul terre a — a, goed baart zorg; de bomie —, volgens de oorlogsgebruiken; fig. eerlijk, met billijkheid; lalre bomie — a qn., iem. op eerlijke wijze beoorlogen; fig. iem. met eerlijke wapens bestrijden; lour de vleille —, oude-rottenstreek: de — lasse, den strijd moede; faire la

— a l'vil, een oog in het zeil houden; foudre

de —, m. beroemde krijgsheld, oorlogsbliksem, m.; faire la — au vlce, de ondeugd bestrijden, bestraffen; —rier, lêre, a. strijdbaar, oorlogsgezind, heldhaftig; —rier, m. lêre, f. krijgsman, krijgsheld; krijgsheldiri; — royant, e, a. strijdlievend, twistziek; —royer, v. n. oorlog voeren, strijden; —royenr, m. fam. oorlogzuchtig krijgsman, twistzoeker.

<iuet, m. wacht, nachtwacht, v.; faire Ie —, avoir l'ceil (l'oreille) au —, goede wacht, een oog in het zeil houden; mot du —, wachtwoord; — de elocher, torenwachter.

Ciiiet-apeiig (pr. gu<'*ta-pan), m. hinderlaag, verraderlijke overrompeling, v.; pl. de» giletsapens.

<iuè||tre, f. slobkous, overkous, reiskous, v.; —trer, v. a. iemand overkousen, slobkousen aantrekken; «e —, v. pr. slobkousen aantrekken; —trier, m. fabrikant, koopman van slobkousen.

net || te, f. schoorbalk, m.; floer, v.; «-Iiien de bonne —, waakzame hond; —ter, v. a. beloeren, bespieden; —teur, m. euse, f. bespieder, verspieder; vuurtorenwachter; torenwachter; a. spiedend.

(■iueii 'lard, m. gueularde, f. pop. schreeuwer, schreeuwster; m. bovendeel, mond van een hoogoven; —Ie, f. (lat. gula) muil, bek, smoel, m.; — l'ralclie, fam. iem. die altijd goeden eetlust heeft, slokop; en 1111 tour de —, in óón hap (verslonden); Ie eliien eliasse de —, de hond blaft bij het jagen; il n'a que (de) la —, hij is een held met de tong; avoir la — pavée, de spijzen zeer heet, zeer gepeperd eten; fine —, fijnproever: mots de —, fam. onwelvoeglijke woorden; ètre fort en —, veel praats hebben, een' grooten mond hebben; d un canon, d'un lour, d'une eruelie. mond, opening (van een kanon, een oven, een kruik); tonneau, futaille a — bêe, ton waarvan eene der zijden open is; — (d'une clieiiiinee), rookverdrijver (op een schoorsteen); — noire, blauwbes; — -de-loup, f. keep in een stuk hout, om er een ander stuk in te voegen, v.; aangeboren spleet in 't verhemelte, v.; wolfsmuil of leeuwenbek (plant); —lée, f. fam. mond- of bekvol, v.; pl. fig. vuile woorden; —Ier, v. n. fam. schreeuwen, hard spreken; met scheldwoorden (tegen iemand) uitvaren; v. a. pakken (van jachthonden); —les, m. roode kleur, v. keel, in de wapenschilden; —leton, m. pop. groot gastmaal, gala; — letonner, v. 11. pop. smullen, lekker eten en drinken; —lette, f. opening van een koeloven; opening van den buil, v.

(üueu||(taille, f. fam. bedelvolk, gespuis; —sailler, v. n. bedelen, schooien; —sant, (tante, a. bedelend, schooiend; — (tard, m. bedelaar, schooier; —se, f. geus, gieteling, m.; bedelares; groot stuk ijzer, waarvan men, indien het gesmolten is, de ijzeren staven smeedt; —«er, v. n. bedelen, schooien; —serie, f. bedelarij, schooierij, v.; fig. fam. armoede, behoeftigheid, v>; —«et, m. kleine geus of gieteling (klein stuk ijzer, dat tot staven gesmeed wordt); —sette, f. aarden potje, waarin de schoenmakers hun zwartsel hebben.

iaiieux, euse, a. arm, behoeftig, tot den bedelzak gebracht; m. et f. schooier, bedelaar; bedelaarster; uieiier une vie fort gueuse, 1 een zeer armoedig leven leiden; uil — de profession, een bedelaar van beroep; eette 1 femme est une gueuse, die vrouw is een ! slecht wijf; ee — d'argent, dat beroerde

21*