Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Allerhoogste; —e traliison, hoogverraad; lü —e nier, hooge, open zee; —es marées, sterke vloed; hoog water; ètre — en couleur, /.eer rood zijn; — mal, vallende ziekte, epilepsie; en — lieu, aan het hof; bij den hoogste; le — bout, het boveneinde; de eereplaats; (de) —e nouveauté, het allernieuwste; a —e voix, met luider stem; jeter, nousser les —s erin, zich luide beklagen; couleur» —es, schelle kleuren; —, m. top, m.; hoogte, v.; het bovenste deel; tomber de son —, languit neervallen; fig. zeer verwonderd zijn; au —, boven op; en —, par en —. boven, in de hoogte; d'en —, van boven af; iip <ilnk — en ban. van boven naar beneden;

lig. regarder qn. de — en bas, iem. met minachting aankijken, behandelen; tenir le — «In pavé, de overhand hebben, de baas zijn; — et ban, hoog en laag; —, adv. hoog, boven; luid; vrijuit; — et bas, in teller en noemer; — le pied! pak je weg! faire — le pied, zich wegpakken; plus —. hierboven, vroeger; — la main, met gezag; zonder moeite; geheel en al.

Ilautailln, ne, a. hoogmoedig, trotsch; m. groote paal om wijnstokken te stutten; wijngaard op palen; *—iiement, adv. trotsch, ho'«vaardig.

Ilautbois, m. hobo; hobospeler.

'Ilautboïste, m. hoboïst.

M-llitiit.fIp.ftiiiiiMfePM. m. broek. v.

llHiitr.i'imtrf. f. alt. v.: altist: -futaie.

zie Futaie; *—,ju»tice, f. hoogste gerecht; —lire, f. soort van gewerkte tapijten van zijde en wol; *—lireur, m. wever van zulke tapijten; *—marée, f. vloed, m.; hoog water, wassend getij.

'Ilautement, adv. fig. moedig, vrij uit; trotsch; openlijk.

'Ilaute-iner, f. open, volle zee, v.

Ilautesse, f. hoogheid (zekere titel van den Turkschen Sultan).

-llitiitp.titillp. f. hooffere tenor. m.

'Ilauteur, f. hoogte, v.; heuvel, m.; diepte, v.; trotschheid, fierheid, \\; fig. hoogmoed.

'Ilaut||-fait. m. heldendaad, v.; —fond, m. ondiepte, zandplaat, v.; *—goïit, m. viandes dr —, sterk gekruide spijzen, v.

'Ilniitiii. in. zilvervisch. m.: zie ook Hautain.

' llant ll-Jnstieier, m. ópper-gerechtsheer; *—• le-euMir, m. walging, neiging tot braken; '—le-eorps. m. ruk, m.; plotselinge beweging van 't bovenlijf, v.; sprong (van een paard), m.; maagkramp; *—mal, m. vallende ziekte, v.

Ilautullrier, m. bevaren stuurman; —riêre, a. navigation liauturière, de groote vaart, lange reis op groote zeeën, v.

Ilavane, m. Havana sigaar, v.; —, a. havanna-kleur, geelbruin.

'llave, a. bleek; mager 'llaveron, m. windhaver, v.

-II iivpt m. iiippp.n hank. 1TI.

'ïlal'vi, m. het aanbranden, verzengen; — vir, v. a. verbranden, verzengen (door te sterk braden); v. n. et se —, v. pr. van buiten aanbranden, verzengen.

'llovrais, e, a. uit of van de stad Havre; m. et f. inwoner, inwoonster van de stad Havre.

'Havre, m. vroeger in 't algemeen: zeehaven, v.; — d'entrée, diepe haven, v.; — de barre, droge haven, tij haven, vloedhaven, v. 'llavresac, m. ransel; knapzak, reiszak, m.

'Haver, v. a. met eene heg omringen, eene heg maken.

'ilé, f. hei! hei daar! ei!

'lleauiinie. m. helm, m.; helmstok m. (aan een roer); *—merie, f. helmmakerij, v.; '-mier, m. helmmaker.

Ilebdoma daire, a. (lat. hebdomadanus; du gr. hebdomas, semaine) wekelijksch; — —dairenieiit. adv. wekelijks; —dier, m. iere, f. hij of zij, die de week van bediening heeft (in een klooster).

Ilébé, f. Hebe, de godin der jeugd; fig. schoone, jonge vrouw.

Iléberllge, f. gebouw staande tegen een grensmuur, gemeenschappelijken muur; grenslijn van twee aangrenzende huizen; —gement, m. huisvesting, v.; nachtverblijf; — ger, v. a. fam.

neruergen, nuisvesieu, -s^ui,

Ilébé te, ée, a. dom, verstompt; — te ment, liébètemciit, m. verstomping, v.; stompzinnigheid v.' —ter, v. a. dom maken, verstompen; —tude,'f. stompzinnigheid, v.

Hébraïllque, a. (gr. li eb r ai os, hebreu) Hebreeuwsch; —sant, m. kenner der Hebreeuwsche taal; -ser, v. n. het Hebreeuwsch beoefenen; Hebreeuwsche uitdrukkingen gebruiken; Joodsche leerstellingen aannemen; —sme, m. eigenaardige Hebreeuwsche spreekwijze. , ,

Hebreu, a. Hebreeuwsch: m. Hebreeuwsche taal, v.; Hebreër; fig. r'est «Ie 1"— 1'»»'

aaar oegrijp ik iuclb «««. 6.k.v....|.v. vv0. Iléeate, f. Hecate, godin der onderwereld. Hécatombe. f. (gr. hekaton, cent; bous, bocuf) offerande van honderd beesten, v.; lig. groot bloedbad.

neme, i. wagcuiimuoi, ».

Hectare, m. bunder (100 ares).

Hertinue, a. teringachtig.

Ilertisie. f. het lijden aan de tenngkoorts.

Ilerto. Ilert devant une voyellc (gr. hekaton, cent) honderd, honderdmaal.

Ileotollgniinine, m. ons; liectogramme, v.; —litre. m. vat; mud; hectoliter, m.; —melre, m. hectometer (100 meter), m.

Iledérée, f. klimophars, v.

Hi'dvaitruiii, llédysaron, m. zoete klaver, v.

Hegemonie, f. (gr. hègemonia) opperheerschappij, v. der steden Athene, Sparta en

i nene. ,

lli'gire, f. (ar. liejireth. fuite) tijdrekening derMahomedanen, naar de vlucht van Mahomot.

lli'KOiiméiie, m. opperste van een klooster, (bij de tegenwoordige Grieken).

Hridiique (pr. e-dur), m. Hongaarsche soldaat, Hoiduk; op zijn ilongaarsch gekleede

Knecnt. . ,

Hél»», (pr. Inee), interj. ach! helaas!

Hélépole, f. stormtoren, muurbreker, m.

'Ilélement, •Hèlement, m. het praaien (van een schip).

'Héler, v. a. een schip praaien; aanroepen.

Ileliniitlie. m. igr. helios, soleil; anthos, fleur) zonnebloem, v.

Hélinntliéme, m. (gr. helios, soleil; anthema, fleur) zonnekruid, goudroos.

Hélifliiue, a. (gr. helios, soleil) de zon be¬

tredend; lever roueiier —, opgang van een ster even vóór zonsopgang, ondergang van een ster even na zonsondergang; —f. pl. zonneteesten (bi| de Grieken).

lleliiiBte, m. (gr. hèlios, soleil; lid van

Sluiten