Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der katoendrukkers enz.); nijphoutje (van een letterzetter); spijker met twee punten, m.; cette voix a du —, die stem heeft een doordringenden klank; eet lioiiime a du — dan* I esprit, die man heeft een scherpen geest; —«leur, euse,a. bijtachtig; m. bijter; — dieant, ante, a. scherp, prikkelend, bijtend, invretend; fig. scherp, vinnig, bits.

Mordicus (pr. uee), adv. (mot lat.) met hand en tand: soutenir hou opinion —, zijne meening met hand en tand, hardnekking staande houden.

Mordieiuie, f. — de vous! de drommel hale

O in Kionne —, aav. iam. ronauit, zonder veel omwegen; rondborstig; il les a traités 11 —« hij heeft hun zijne meening ronduit gezegd.

Mordilj|lage. m. het zacht bijten, knabbelen; v. a. zachtjes bijten, beknabbelen.

Mordo||ré, e, a. bruinrood; — rure, f. goudkever kleur, v.

Mordre, v. a. et n. (lat. morde re) bijten; afoijten, inbijten; fig. berispen, laken; etsen; sen — Ie» doigts, les pouces, spijt of

™uun 'cis ueuueii: prov. enten qui

ahoie ne niord pas, blaffende honden bijten niet; — la poussiére, la terre, in 't gras, in t stof bijten, sneuvelen; — a la grappe, de

nniif vn.1 i . i' .7 . " V

—*"•* "«o nappen, ng. loeoiuen; — a qen., smaak in iets krijgen; — a rhaine^on, aan den angel bijten, toebijten; fig. zich laten verschalken; rancre tnord. het anker houdt grond, vat in den grond; Ie vent inord au nord, de wind loopt naar 't noorden; — sur qeli., iets scherp hekelen.

More, Maure, m. moor, zwarte; traiterqn., en user avec qn. de Ture a —, iem. barbaarscli, zonder verschooning behandelen; e he val eap ou eaveee de —, moorkop, m. (soort paard); prov. a la ver la tcte dun —, on y perd sa lessive, 't is den Moriaan gewasschen, vergeefsche moeite; gris de —, donker grijs.

Moreau, a. m. efieval —, pikzwart paard.

Moree, f. Kaapsche lichtbloem, v.; ijzerhou-

rlotiHo Muinoxrln ..

Morelle, f. nachtschade, v. (plant); waterhoen. Moresse, Mauresse, f. Moorin, Moorsche vrouw.

Moresque. a. Moorsch; f. moorendans, m.; Moorsche schilderij, v.

Morfll ou Marul, m. draad, die aan een mes bliift als het geslepen is, m.; onbewerkt ivoor.

Morfonüdre, v. a. verkouden, door koude bevangen, door en door koud maken; se —, v. pr. verkleumen, van koude verstijven, verkouden raken; fig. te vergeefs wachten; —du, m. arme koulijder; —dure, f. verkoudheid deipaarden, v.

Morganati Ique, a.inariage —, morganatisch huwelijk, huwelijk met de linkerhand; — que-

«■ ^ iuutgauauscuc wijze.

Morgeline, f. vogel- of muurkruid.

Morgen, m. morgen (= G00 ares), Duitsche en Nederlandsche vlaktemaat.

Morgoule, f. zeenetel, v.

Morgue, f. trotschheid, opgeblazenheid, v.; hoogmoed, m.; Morgue, plaats te I'arijs, waar

t5cvunui.il cuu, luii toon legt,

lijkhuis.

Morgue! Morgiiieiine! int. te duivekater, verduiveld, drommels.

Morguer, v. a. qn., iemand trotseeren. U'otsch bejegenen.

Morihoml, onde, a.(lat. moribundus; de mori, mourir) zieltogend, op sterven liggend; m. et f. doodzieke, zieltogende.

Moricaud, aude, a.(rad. More)donkerbruin; —»m- et f. donkerbruin mensch.

Morillgéiié, êe, a. goed onderwezen of opge-

VflPfl* tnt nlinht to.-n rrrroK..,,-!,. . ~ ' '

ww ugjjouiuuii, — v. «I.

(lat. mores, mceurs; gignere, produire) fgoed opvoeden; terechtwijzen, de les lezen.

Morille, f. morille, v. (soort van paddenstoel). MoriIIon, m. rotgans, v.; soort van zwarte druif, v.; pl. ruwe en kleine smaragd, m. Morinelle, f. pluvier of regenvogel, m. Morion, m. helm of stormhoed (in vroegere tijden), m.; ■{-hellebaardslagen op het achterdeel (straf der soldaten).

Morinojlii, onne, a. Mormoonsch; m. et f. Mormoon, Mormoonsche; —, m. Mandrilaap, m.; —niser, v. a. tot Mormonen maken; —iiisuie, m. godsdienst der Mormonen, m.

Mor||ne, a. droevig, treurig, verdrietig, bedrukt: donker, duister, rtnf* _ m

(in de Antillen), v.; —né, e, a. stomp; lance afgestompte lans, tournooilans, v.

Mornifle, f. fam. muilpeer, oorveeg, v.; soort van kaartspel.

Moro||sé, a. (lat. morosus) treurig; —se, a. knorrig, verdrietig, gemelijk; — site, f. knorrigheid, grommigheid, v.

Morpliêe, m. de god des slaaps; fig. ètre dans les bras de —, slapen.

Morpliine, f. (de Morphée, dieu du sommeil) opiumzuur, morphine, v.

Morpliolo||gie, f. (gr. morphè, forme; logos, discours) vormingsleer, v. der lichamen; - des langues, leer van den vorm en de verandenngen der woorden.

Morpion, m. platluis, v.

Mors (pr. mor), m. (rad. mordre) gebit, mondstuk aan den toom van een paard; bek van eene schroef, m.; prendre Ie - aux dents, od hol slaan (van naarrtpnir flo> fam nu i9n»<.

rust met verdubbelden ijver aan het werk gaan.

Morse, m. walrus, m., zeekoe, v.; pl. buitenrij van straatsteenen, v.

Morsure, f. beet met de tanden, m.; — d'auie, wroeging, v.; berouw.

Mort, f. (lat. mors, mortis) dood, m.; afsterven, overlijden; belle —, roemrijke dood; mourir de sa^ belle —, een natuurlijken dood sterven: souflrir — et pasHion, fam. groote smart lijden; ^ soufTrir mille —s, vreeselijk lijden; a la vie et a la —, voor eeuwig; étre au lit de —, a Partiele de la —, op het uiterste liggen, zieltogen; avoir la — dans lauie, dans Ie eoeur, diep bedroefd zijn; PPme de —. doodst.rnf* jtrr<»t ,1.,

terdoodveroordeling, v.; Iinïr ii la doodelijk haten; o'ent uur - qnp (d'attcndre si longtemps), fam. het is verschrikkelijk (dat men zoo lang moet wachten); — civile. het verlies van alle burgerrechten; malade a la —, doodziek; blesse a —, doodelijk gekwetst; - de l'eau. dood tij met kwartier maan; vouloir mal de

— a qn., iemand het ergste toewenschen, hevig op iemand gebeten zijn; prov. après la — Ie uiedeein, als het kalf verdronken is, wil men den put dempen; point de remède eontre la —, tegen den dood is geen kruid gewassen;

— au* rats. rattenkruid: - nm ni>ni<.y

bilzenkruid.

Mort, Morte, a. dood, gestorven, overleden;

Sluiten