is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

munter oom ine uvi —, eten als een wolf.

Ogresse, f. menscheneetster.

öht int. och! ei! ei! — $n! welnu! komaan!

Ohc! interj. hei! hei daar!

Oïdiuin (pr. ome), m. oïdium, paddenstoel, die de druivenziekte veroorzaakt, m.

O ie, f. (baslat. au ca, du lat. avis, oiseau) gans, v.; petite —, afval van eene gans (als de hals, vleugels enz.), m. (beter: ahattis d'oie); ffig. stoffeering (als knoopen, schoenen, hoed, handschoenen enz.), v.; kleine vrouwelijke gunst¬

bewijzen, — uu .torn, — a nu vei, iNoorascne gans, eider- of donsgans; putte d'—, kruispunt: ooghoekrimpel, m.; jeu de I'—, rn. ganzenspel, ganzenbord; —royale, nommer 03 op

'f irnn7uriKnpH • l>A<« ....« i

» e..i.... uvuiu, IM-M- i uiiiiiir Uil?' —, UUIIl

als eene gans.

Oie-renard, f. vos- of nijlgans, v.

Ojgnard, m. fluiteend, v.

Oigiicment, m. zalving, smering, v.

Oigno ii (pr. ognon), m. ui, ajuin; bloembol, m.; hardigheid aan de voetzool, v.; knol (zwaar horloge): glane, chapelet d'—s, rist uien, v.; pelure d'—, uischil; fig. zeer dunne stof; fam. aux (petits) —s, zeer mooi, uitstekend; fig. en rang d'—s, op een , rij naast elkaar; fig. regrctter Ie» — s d'Egypte, verlangen naar de vleeschpotten van Egypte; — de tulipe, tulpenbol; flikte a I*—, mirliton, rietfluitje (aan beide zijden gesloten met een uischilletje); il y a de I*—, cela «ent I'-, daar steekt wat achter, die zaak is verdacht, er is een luchtje aan; pop. il a de I'—, hij heeft geld; — nnde, f. gerecht met uien toebereid; —net, m. uivor-

{.vinei pcei-, v.; — neiie, i. uuje; uienzaad; —niere, f. uienbed.

Oïl (pr. o-ile). m. longue d*—, de vroegere taal van Noord-Frankrijk, v.

Oille. f. (esp. ol la), zie Olla-podrida.

Oindre, v. a. (lat. ungere) zalven; smeren, bestrijken; s'—, v. pr. zich bezalven.

Oing, m. gesmolten varkensreuzel, m.; vieux —, (wagen)smeer.

Oint. ointe. part. passé de oindre et a. gezalfd enz.: I'—, de gezalfde.

Oiseau, m. (bas lat. au cel lus) vogel, m.; kalkbak, m.; kalk-, pleisterplankje; — damestique, tamme vogel; — de proie, roofvogel; — de passage, trekvogel; — de leurre, lokvogel; — de ramage, zingvogel; — de volière,

Muumugcij v<tik. in.; — u .-ïiuque, paarinoen: — de paradis, paradijsvogel; — de Jupiter, adelaar; — de Junon, pauw; — de Minerve.

n.l. _ -1~ j« ' ■ .*

»«., — ur »t-iiiin, uuu; ng. — oe mauvais augure, — 1'antome, ongeluksvogel; a vol f*—» adv. in rechte lijn; in vogelperspectief; a vue d'—, adv. van boven beschouwd, in vogelperspectief; ètre romme I'— sur la branche, nergens zeker zijn; geene blijvende plaats hebben; in onzekerheid zijn, geslingerd worden; petit a petit I*- Uit soit nid, langzamerhand bereikt men zijn doel: quel —! wat een ongelukkig figuur! lig. et fam. re n'est pas viande pour vos —x, dat is niets voor u, dat gaat uw begrip, uw vermogen, uwe krachten te boven; — de la rue, landlooper; — bleu, zeldzaam mensch; het ideaal.

Oiseau-abeille, m. kolibrie, v. (pl. des oiseaiix-abeilles).

Oiseaii-inourhe, m. vliegenvogeltje, kolibrie, v. (pl. des oiseaux-moiiches).

Oiseau-teigne, m. ijsvogel, m. (pl. des oiseaux-teignes).

Oise||]er, v. a. (v. fr. oicel, oiseau) een vogel tot do jacht africhten; v. n. vogels vangen: —leur, m. vogelvanger, vogelaar; —lier, m. vogelkooper; — llerie, f. vogelvangst, vogelkooperij, v.

Oillsèusemeiit, adv. op trage, onbeduidende wijze; —seux, euse, a. (lat. otiosus; de otium, oisiveté) onnut, nietsbeduidend; lui, traag, ledig; —sif, ive, a. lui, ledig, nietsdoend; traag; m. nietsdoener, leeglooper.

Ojsillon, m. fam. vogeltje.

Oisill vement. adv. in Ipdi.ehpwl • —r

(rad. oisif) luiheid, ledigheid, v.; loc. prov. I'- «»st la inêre de tous les vires, de ledigheid^ is des duivels oorkussen.

Oison, m. gansje, jonge gans, v.; fig. zotskap, dom mensch.

Oisonnerie, f. domheid, onnoozelheid, v. OJe, Olie, f. bereid palmblad, v. waarop de Indiërs schrijven.

Oléacêes ou Oleiiiées. f. pl. olijfachtige ge¬

wassen.

Olcagiiieux. euse, a. (lat. oleum, huile) olieachtig, vetachtig.

Oléandre, m. rozenlaurier, oleander, m. Oléate, m. oliezuur zout.

Olécraiie, m. elleboogsknokkel, m.

Olcfiant, ante, a. oliegevend, olievormend. Olcine, f. oliestof.

Oléinées, f. pl. olijfachtige gewassen. Oléique, a. aride —, oliezuur.

tHéo-llIHrfrarillP. f. pp» <w hpctnnrlhoplon

der olijfolie.

Oleracces, f. pl. moeskruiden, keukengewassen.

Olfactif, ive, Oll'actoire, a. (lat. olfactus, odorat) tot den reuk behoorend; nerf —, reukzenuw.

Olihtn, m. Arabische wierook, m.

Olibrius (pr. uce), m. kwast, pochhans.

Olifant, m. ivoren blaashoren, m. der ridders en paladijns.

Oligar chie, f. (gr. oligos, peu nombreux; are hé, commandement) regeering van eenige weinigen, oligarchie, v.; —chique, a. door weinigen geregeerd, olifiMiv.hisr.h: — hup. m. nnn-

hanger der oligarchie.

Olim (pr. li me), m. latijnsch woord dat vroeger beteekent; les registres —, ou les —, de oude registers van 't Parijsche parlement.

+Olin!!rfe. f. zppr flinn U-linfT van pon Haoron

v.; —der, v. n. fam. den degen trekken; —deur, m. fam. vechter.

Olillvacé, e, a. olijfkleurig; — val re, a. olijfachtig, olijfvormig: corps —s, m. pl. twee uitsteeksels van het verlencdp. mp.rir: -vHiwnn f.

olijvenoogst, m.; —vatre, a. olijfkleurig, olijfgroen; —ve, f. (lat. o li va) olijf, v.; olijfboom, m.; fig. olijftak, m.; —ver, v. a. den olijfvorm. de olijfkleur geven; —verie, f. olijfoliefabriek, -molen; Olivet, m. Olijfberg bij Jeruzalem, m.; — vette, f. ol ij venplantsoen; kleine olijf; — vetles, f. pl. Provengaalsche dans na den olijvenoogst, m.; —vier, m. olijfboom, m.; —viforme. a. olijfvormig.

Ollaire, a. f. (lat. ollarius, de olla, pot); pierre —, tufsteen, dufsteen, potsteen, m.

Olla-podrida, f. (esp. olla, pot; podrida, ppurri) lievelingsgerecht der Spanjaarden, bestaande uit verschillende vleeschsoorten, specerijen en groenten (= Oille); fig. allerlei, mengelmoes, poespas.