Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HtPartiaire. a. die in iets deelt, die deel aan iets heeft; fermier, colon —, pachter, die de vruchten met den eigenaar deelt.

Parti||al, ale, a. (rad. parti) partijdig, eenzijdig; —alement, adv. met partijdigheid, eenzijdig; »e — aliser, v. pr. partijdig zijn, partij kiezen; — aliste, m. partijdig rechter; partijman; —alité, f. partijdigheid, eenzijdigheid, v.

Parti hu», loc. adv. éveqiie in — (infi deli urn), bisschop van een bisdom, dat thans in handen der ongeloovigen is; prolesseur in —, leeraar zonder betrekking.

Particijlpant, ante, a. (de uch.) deelnemend

ïu, deelhebbend aan iets; m. et f. deelnemer.

aeeineemster; —pation. t. deelneming,* deelhebbing, v.; medeweten; —pe, m. deelwoord, participium; — present, — jihnsc, tegenwoordig, verleden deelwoord; —per, v. n. (lat. pars, partis, partie; capere, prendre) — a qch., deel nemen, deel hebben aan iets; — de qeli.. iets van den aard eener zaak hebben.

ParticuÜlaire. a. tot de partikels of onveranderlijke woordjes behoorend; — lariser, v. a. omstandig verhalen, uitvoerig beschrijven; — larisme, m. leer der bijzondere genade, v.; het streven naar de zelfstandigheid van zeker gedeelte van een staat; —lariste. m. particularist; —larité, f. bijzonderheid, bijzondere omstandigheid, v.

_Particul|le, f. (lat. particula; dimin. de pars, partis, partie) deeltje, stukje; partikel, eenlettergrepig woordje; la - nabil ia i re. het adelaanduidend voorzetsel (de, von, van enz.): —Ié, ée, a. van een partikel voorzien of verge¬

zeld; —lier. iere, a. (lat. particularis; de

parus, parue) mjzonaer, eigen; geheim; zonderling; le^-on — iêre, privaaatles. v.; innitre —, privaat-onderwijzer; —. m. Ie -, het bij. zondere; ambteloos man, privaat persoon; (bij militairen:) burger; fam. zeker iemand, een individu; eii —, adv. in het bijzonder, afzonderlijk; onder vier oogen: en uioii —, pour moii , wat mij betreft; dans Ie —, oij nadere kennismaking; -lière, f. na -, zijn liefje; —lieremeiit, adv. bijzonder, voornamelijk: in bijzonderheden.

Partie, f. (lat. pars, partis) deel. gedeelte:

party; Kans, v.; gezeiscnap; pleiziertochtje; stem. partij in de muziek; post, schuldenpost, m.; partijtje (spel); tenue des li vi es en - doublé, dubbel of Italiaansch boekhouden; prendre »|n. a —, iem. aanklagen; iem. de schuld van iets geven; —s, pl. rekening van hetgeen men geleverd heeft, v.; les rinq —s du monde, de vijf werelddeelen; eoup de —, beslissende slag. worp; fig. beslissende daad, gebeurtenis: quitter la —, ophouden met spelen; lig. iem. geen weerstand meer bieden, zich voor overwonnen verklaren; se rendre —, se porter —. als aanklager optieden; lier —, afspraak maken; — de promenade, wandelrit, m. toertje; — «•arree, pretje met zn vieren (twee heeren «n

twee dames): — iine, liefdespretje; —s (natu-

renesj, scnaamaeelen; adv. (en) — deels gedeeltelijk.

Partiel, elle, a. gedeeltelijk, partieel.

Partiellement, adv. gedeeltelijk, ten deele. fPartir, v. a. verdeelen, doorsnijden; avoir niaille a —, verschil hebben.

Partir, v. n. vertrekken; afreizen, weggaan; lig. komen, voortkomen, uitgaan; ontstaan, afkomstig zijn, zijn oorsprong hebben; afgaan (van een geweer); - d un grand éclat de

rire, luid beginnen te lachen; — d un principe, d une doniire. van een beginsel, van een go' geven uituraan: nartex <l<> l.« <r:, Hnai-uon

a — de ee moment, van dat on<?finhlik ar.

uiri «I —, ieisvaaruig: ie lusil a parti tont <1 mi eoup, 't geweer is eensklaps afgegaan: Ie eliien a fait — tui perdreau, de hond heeft een patrijs opgejaagd; faire - les lmrieots, de boonen laten verkoken; — m vertrek; afrit; au —, bij het vertrek.

Partisan, m. (ital. partigiano) aanhanger, voorstander; partijganger, vrijbuiter; hoofdpachter of impostmeester.

Parti(Iteur, m. deeler, divisor, m.; -tif, ive. a. deelend, dat slechts een deel aanduidt: —tion, f. deeling, verdeeling, scheiding, v.; partituur, v. (in de muziek).

Partner, m. et f. deelgenoot, -genoote; zie Partenaire.

Partout, adv. overal; si\ —, zessen overal, aan beide zijden (in 't dominospel).

Parturition, f. het baren zonder behulp deikunst; het werpen (van dieren).

Parulie, Parulis, f. tandvleeschgezwel.

Parure, f. tooisel, sieraad; opschik, m.; — ledersnippers.

Parve||nir, v. n. (lat. pervenire, arriver) a qeli., iets bereiken; ergens toe komen of geraken; vooruitkomen, zijne fortuin maken: je suis —nu a Ie décider, 't is mij gelukt hem over te halen; —nu, m. ue, f. parvenu.

Parvis, m. (lat. paradisus, paradis) voorplein (eener kerk); tempel, m.; les eelestes —. de hemel, het paradijs.

Pas, m. (lat. passus) schrede, trede, v.; stap, voetstap, m.; engte, v.; enge weir in het

ui., uci wauw, zee-ungie, v.; aorpei

eenei aeui, m.; — de charge, stormpas, m.; au petit —, zonder zich te overhaasten; voila son —, zoo is zijne gewoonte; — de deux. zekere dans van twee personen, m.; — a —, voetje voor voetje, zachtjes aan; avoir Ie sur qn., den voorrang hebben boven iem.: disputer Ie — a qn.. den voorrang aan iem. betwisten; doubïer Ie —, zijne schreden verdubbelen, haastiger voortgaan; aller a — de loup, zachtjes gaan, voort-sluipen; — gvinnastioue. loonnas: iihkhpf lo fam a+<u<.

Ven: de PA — nn etaandon \rr\ai 4aiv-innrl .

faux —, misstap, m.; - de rlerc, feil, onhandigheid, v.; misslag, m.; trainer ses —, langzaam

eii moeiiijK gaan; alleragrands—, metgroote schreden loopen, groote stappen doen: retourner sur ses —, denzelfden weg terugkeeren; a — comptés, deftig, statig; inarcher bon —, goed doorstappen; prov. il n'y a que Ie premier — qui route, alle begin is moeilijk: tont depend du premier —, een goed begin is 't halve werk; faire hiendes—, veel moeite doen; fig. mettre qn. au -, iem. tot gehoorzaamheid dwingen, tot rede brengen; — de vis. schroefdraadsafstand, m.; — d'armes. wapenpas, m. (plaats die een ridder tegen eiken aanvaller moest verdedigen; ook: tournooikamp. dien een ridder allen strijdlustigen aanbood): donner 1111 — de conduite a qn., een eind weegs met iem. medegaan; — de tortue, langzame voortgang, m.; suivre les — deqn., iem. navolgen, in de stappen van iem. treden; sur les — de ..., in navolging van ...; uiaiivais i moeilijke toestand; se tirer d'un manvais —, zich uiteen moeilijken toestand redden; fraiirliir Ie —, tot iets overgaan, tot iets be-

Sluiten