Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Préémilneiiee, f. voorrang, m. voorrecht; —nent, ente, a. allervoortreffelijkst.

Préemption. f. voorkoop, m.; droit de benaderingsrecht (der tolbeambten of kommiezen).

Prééta||bli, e, a. vooraf vastgesteld; — bhr, v. a. vooraf bepalen, vooruit vaststellen.

Préexcel !| lence, f. meerdere voortreffelijkheid, v.; —Ier, v. n, boven anderen uitmunten.

Préexis||tant, ante, a. vooraf bestaand, voorafaanwezend; —tenee, f. voorbestaanlijkheid, vooraf aanwezigheid, v.; —ter, v. n. voorbestaan, eerder zijn dan een ander ding.

Pré fake, f. (lat. prrefatio; de pr«-e, avant; fari, parler) voorrede, v. voorbericht; begin, inleiding, v.; —eer, v. a. uil livre, eene voorrede schrijven voor een boek.

Préfeeltoral, e, a. den prefect betreffend; —ture, f. stadhouderschap, waardigheid van oen prefect, v. prefectuur, v. (zeker overheidsambt van het oude Ilome); ambtszetel, bureau, woning van een prefect (hoofd van een departement), van den politieprefect in het departement. van de Seine.

Préféra||b!e, a. den voorrang verdienend, verkieslijk, preferabel; — blemeiit, adv. bij voorkeur, boven alle andere dingen.

Préféüré, ée, a. voorgetrokken; —renee, f. voorkeur, voortrekking, v. preferentie, v.; de —, bij voorkeur; de — a tous, vóór alle anderen; —rer, v. a. (pré et lat. ferre, porter) voortrekken, de voorkeur geven, verkiezen boven....

Préfet, m. (lat. pr.-efectus; de prse, devant; facere, faire) stadhouder, prefect; — des otudpH nn7.icht.er over de studie (in eene in¬

richting van onderwijs); — de poliee, politieprefect (in het departement van de Seiiie); la préféte. de echtgenoote van den prefect.

PréOnir, v. a. vooraf bepalen, vaststellen.

Prefix, ixe, a. (préf. pré et lat. fixus, (ixé) bestemd, vastgesteld, vooruitbepaald.

Prélixe, a. vóórgevoegd; m. voorvoegsel.

I'r<>li\üpr. v. a. vooraf bepalen, vaststellen;

— ion, f. voorafbepaling van een tijd, een uitstel.

Préfleuraiaon, PréHoraison, f. toestand van ile verschillende dee'.en van eene bloem vóór hare ontluiking, m.

Préheiision. f. aanvatting, grijping, v.

Préhistorique, a. voorhistorisch.

Préjiidillee, m. nadeel, schade, v. prejudice, v.; au — 'de^n nadeele van; aan» — de ses droits, onverminderd zijne rechten; —eiable, a. nadeelitr Rfhadpliik. hinderliik: —ciaux. a. m. Dl.

frala —, kosten van een rechtsgeding, die vooraf betaald moeten worden, m.; —clel, elle, a. wat vóór de hoofdzaak moet beslist worden; —eler, v. n. nadeelig, schadelijk zijn.

Préjullgé. m. vooroordeel, verkeerde vooringenomenheid, dwaling, v.; voorafoordeel, voorafvonnis; — ger, v. a. gissen, vermoeden; voorafvonnissen, voorloopig uitspraak over eene zaak doen.

Prela(r)t, m. wagendek, geteerd zeildoek, dat op de schepen voor of over iets gehangen wordt.

Prélasser, (se), v. pr. (rad. prélat) fam. eene trotsche houding aannemen.

Préla||t, m. (pref. pré et lat. latus, porté, mis) kerkvoogd, prelaat; -tion, f. recht, waarbij de kinderen in de ambten en bedieningen hunnei* vsidp.rs. hnven vreemden, cehandhaafd wor¬

den; —ture, f. kerkvoogdijschap, ambt, waardigheid van een prelaat, v.

Prèle, f. paardestaart, m. (soort van plant).

Prélegs (pr. Ié), m. vooruitmaking, v., legaat, dat vóór het verdeelen der erfenis uitgekeerd wordt.

Preléguer, v. a. vooruit vermaken, voorlegateeren.

Prèler, v. a. met schaafstroo wrijven en polijsten.

Prélévemeiit, m lichting van geld voor het verdeelen der erfenis, v.

Prélever, v. a. eenig geld lichten vóór het verdeelen der erfenis.

Préliiiiinaillre, a. (préf. pré et lat. li men, seuil, entrée) voorafgaand, voorloopig; fig. diaeours —, voorrede, v. voorbericht; —, m. inleiding, v.; —a de la paix, m. pl. voorafgaande vredesvoorwaarden, v. preliminairen; —reuieiit, adv. op voorloopige wijze.

Prélire, v. a. eene proef vooraf lezen (vóór ze naar den schrijver ter correctie gaat).

Prélu||de, m. (préf. pré et lat. ludus, jeu) voorspel, preludium; fig. voorbode, m. voorteeken; —der, v. n. iets vooruit spelen, een voorspel maken, preludeeren; fig. inleiden, voorbereiden.

Preuiatu ire, ee, (pret. pre et lat. maturus, mur) vroegrijp, vervroegd, verhaast, prematuur; —réineiit, adv. op vervroegde wijze, voorbarig, ontijdig; —rité, f. vroegrijpheid, voorbarigheid, ontijdigheid, v.

Préuiédi||tatiou, f. voorbedenking, voorbedachtheid, overweging, v.; —té, ée, a. voorbedacht, vooraf overwogen; —ter, v. a. voorbedenken, te voren overleggen.

Prémiees, f. pl. (lat. primitiie; de primus, premier) eerstelingen, eerste vruchten, welke vroeger geofferd werden, v.; eerste beginselen; lea — de mes études, de eerstelingen mijner studiën.

Premier, iére, a. (lat. primarius; de primus, premier) eerste; voornaamste, opperste; matiére —iére, f. grondstof, v.; — coüt, inkoopsprijs; au — (étage), op de eerste verdieping (één trap hoog); une loge de — rang, une

prenuere <ioge>, eene ïuge eex&ie ïrtus, i«^ — veiiu, la première venue, de eerstede beste; lieutenant en —, eerste luitenant; —. iére, m.et f. eerste; voornaamste, opperste; — (-)Paris, — (-)Londrea, hoofdartikel van een Parijsch, een Londensch blad; première, f. eerste voorstelling van een tooneelstuk; eerste klasse van eene school; loge eerste rang; eerste klasse (van een wagon); prima-wissel; eerste correctie (van eene proef).

Premièrement, adv. eerstelijk, vooreerst, in de eerste plaats.

Premier-ne, a. et m. eerstgeboren(e), oudste; pl. des premiers-nés.

Préinisses. f. pl. (préf. pré et lat. missus, mis) de twee eerste stellingen eener sluitrede, v.

Prcmonitoire, a. vooruit waarschuwend.

Prémontré, m. premonstratense, zekere Augustijner monnik.

Prémotion, f. voortbeweging, medewerking, v.

Préinunir, v. a. eontre qeli., tegen iets wapenen of versterken; se —, v. pr. zich voorzien of bezorgen.

Pre||nahle, a. neembaar, dat ingenomen of veroverd kan worden; — nant. ante, a. nemend, ontvangend; psrtie —e, ontvangende partij, v.

i£ie ook v nre«ie-|»rriinin.

rrennre, v. a. ^uu. prenenuere, aai&u; nemen, vatten, grijpen, aangrijpen; aantrekken,

Sluiten