is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

euse, f. overdreven lofredenaar; eeuwige zedenpreker.

Prono||ui, ra. (lat. pro, pour, et nom) voornaamwoord; —miiial. «Ie, a. dat tot een voornaamwoord behoort; verbe —, wederkeerig werkwoord.

Pronon ||$able, a. uit te spreken, uitspreekbaar; —eé, m. uitspraak, v.; —cé, ée, a. uitgesproken, uitgedrukt; trop —, te sterk uitgesproken of uitgedrukt; —, scherp geteekend, duidelijk uitkomend; de» traits — s, scherp geteekende trekken; earaetère —, vast, beslist karakter; eiiiiemi —, verklaarde vijand; —eer, v. a. (lat. pronuntiare) uitspreken, uitdrukken; (een vonnis) vellen, beslissen; levendig uitdrukken; —, v. n. uitspraak doen, beslissen; spreken, bevelen; se —, v. pr. uitgesproken worden; zich verklaren, zijn gevoelen openbaren, zich krachtig uitdrukken; — eiation, f. uitspraak, v.; het houden (van eene rede); voordracht, v.; het bekend maken, het voorlezen van een vonnis.

Pronos||tie, m.(gr. prognöstikon; de pro, avant; gnosis, connaissance) voorspelling, v. voorteeken; — tication, f. voorzegging, voorspelling, v.; — tiquer, v. a. voorzeggen, voorspellen; —tiqueur, m. voorzegger, voorspeller.

Pronuiiciamento (pr. min), m. verklaring, v., opstand, m. tegen de bestaande regeering (in Spanje).

Pronaganüde, f. genootschap te Rome tot voortplanting des geloofs; genootschap tot verbreiding van politieke leeringen en meeningen; faire de la —, propaganda maken, aanhangers werven; — disme, m. bekeeringsijver, m.; —diste, m. propagandist, ijverig bekeerder.

Propa||gateur, m. triee, f. voortplanter, verbreider; voortplantster, verbreidster; —gateur, trice, a. voortplantend, verbreidend; —gation, f. voortplanting; verbreiding, uitbreiding, v.; —ger, v. a. (lat. propagare) voortplanten, uitbreiden; se —, v. pr. zich voortplanten, verbreiden.

Proparoxyton, m. proparoxytonon (woord met den acutus op de derde lettergreep van achteren).

Pro-patria, m. soort van Hollandsch papier.

Propension, f. (lat. propensio; de pro, en avant; pendere, prendre) genegenheid, neiging, overhelling, v.; het hellen naar het middelpunt der aarde; fig. — au bien, au inal, neiging tot het goede, het kwade.

Prophete, m. (gr. prophêtês; de pro, avant; phèmi, je dis) voorzegger, voorspeller, profeet; — de malheur, ongeluksvogel, m.; prov. nul n'est — en hou pavw, een profeet is in ziin eigen land niet geëerd.

Proplië || tesse, f. voorzegster, waarzegster, profetes ; — tie (pr. eie), f. voorzegging, voorspelling, profetie, v.; —tique, a. voorzeggend, voorspellend, profetisch; — tiquement, adv. op voorzeggende, profetische wijze; — tiser, v. a. et n. voorzeggen, voorspellen, profeteeren.

PropliyHlactique, a. voorbehoedend, bewarend; —laxie, f. voorkoming eener ziekte door gepaste middelen, v.

Propiee, a. gunstig, genegen, genadig; ya la — de, ten gunste van.

Propitia||teur, triee, a. gunstverwervend, verzoenend; — tion, f. verzoening, v.; verzoeningsfeest; — toire, m. tafel, v. boven de ark des verbonds, genadestoel, m. (in de Joodsche kerk); —toire, a. genade-smeekend, gunstwinnend.

Propolis (pr. lice), f. ou m. maagdewas, propolis.

Propor||tion, f. (lat. proportio) overeenkomst, evenredigheid, gelijkvormigheid; proportie, afmeting, v.; a —, en —, naar mate, naar evenredigheid; —tionnalité, f. evenredigheid, v.; — tionné, ée, a. geëvenredigd; bien —, welgemaakt, geproportionneerd; —tionnel, elle. a. in evenredigheid met iets staand, evenredig met, proportioneel: — tionnel lemen t, adv. evenrediglijk; —tioiuiêment, adv. overeenkomstig; —tionner, v. a. evenredig, gelijk of gelijkvormig maken; schikken naar; se — a qeh., zich naar iets schikken; se — a rintelligenee, a l'esprit de qn., zich naar iemands vatbaarheid regelen.

Propos, m. (lat. propositum, sujet mis en avant) vast besluit; rede, v. gesprek; voorslag, m.; Ie ferme —, het vaste besluit; de — délibéré, met opzet, opzettelijk, met voorbedachten rade; de — en —, van 'teen op 't ander komende (in een gesprek); a —, wel te pas, juist, behoorlijk, te recht; daar valt mij in, apropos; mal a —, hors de —, te onpas, onvoegzaam, ontijdig; a tont —, gedurig, bij elke gelegenheid, telkens; de — délibéré, met opzet, opzettelijk, met voorbedachten rade; Ta—, het gepaste oogenblik; Pa— fait Ie mérite de tout, op de keus van 't rechte oogenblik komt alles aan; un bon a—, een van pas aangebracht woord; un sot a—, een onnoozel of ontijdig gesnap ; a — de, naar aanleiding van; a quel — ? a — de quoi? naar aanleiding waarvan? bij welke gelegenheid?

Propoüsable, a. dat voorgesteld of voorgeslagen kan worden; —sant, m. hij die iets voorstelt of voordraagt; proponent, bevoegd predikant bij de Protestanten, die nog geen beroep heeft; —sant, a. eardinal —, m. kardinaal, die dc nieuw benoemde bisschoppen ontvangt en voorstelt; —ser, v. a. (lat. proponere, exposer è,

ia vue) voordragen, voorstellen; voorslaan, proponeeren; — pour, voordragen tot...; se — de, zich voorstellen, voornemens zijn; prov. rhomme propowe et Dieu dispose, de mensch wikt, en God beschikt; — sition, f. voorslag, m. propositie, v.; voorstel, leer, mee ning, v.; pa ine* oe —, toonbrooden.

Propre. a. (lat. proprius) eigen, bijzonder; eigenaardig; eigenlijk; bekwaam, dienstig; zindelijk, net; de sa — inain, met eigen hand; sens — d'un mot, eigenlijko beteekenis van een woord; nom —, eigennaam, m.; Ie mot—, het gepaste, juiste woord; auiour —, eigenliefde, v.; ètre — a tout, tot alles geschikt zijn: se rendre —, zich bekwaam maken; —, m. het eigenaardige; eigenschap, v.; eigenlijke beteekenis, v.; au —, in de eigenlijke beteekenis; e'est Ie — de..., 't is de bijzondere eigenschap, het eigenaardige van...; f—s, m. pl. eigendom, m.; bloedverwanten, m.; en —, adv. in eigendom; fam. e'est du —, en voiladu —! dat is wat moois! wat lekkers! —, m. dienst, gebeden; Ie — du temps, de op zekeren tijd van 't jaar gebruikelijke dienst of gebeden.

Proprement, adv. zindelijk, net; eigenlijk; a — parler. — parlant, eigenlijk gezegd; la tirèee — dite, het eigenlijke Griekenland (in tegenst. met Groot-Griekenland).

Propret, ette, a. zeer net, sierlijk; m. et f. fam. opgeschikt gekje.

Propreté, f. zindelijkheid, netheid, v.

Propre|! teur. m. propnetor, plaatsvervangend