Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—xé, ée, a. verslapt, ontspannen; — xer, v. a. (gevangenen) loslaten, in vrijheid stellen.

Helaüyer, v. a. in den arbeid aflossen; —, v. n. van paarden verwisselen, versche paarden nemen; »e —, v. pr. elkander aflossen; —yeur, m. houder van wisselpaarden, paardenpostmeester.

Hele ü gat ion, f. uitwijzing, verbanning naar een bepaald oord, enz.; -gué, m. verbannene, verwezene; —guer, v. a. (lat. relegare) verbannen (naar een bepaald oord), uitbannen, uitwijzen; verwijzen; »e —, v. pr. zich geheel afzonderen.

Kelent, m. duffe, muffe lucht, mufliglieid, v.

Héler (»e), v. pr. splijten, scheuren, losspringen.

Hele va ge, m. het opnemen, het opzetten, opstellen; het ledigen der brievenbus (beter: levée).

Relevaille». f. pl. eerste kerkgang (eener kraamvrouw), m.; huiselijk feest bij die gelegenheid.

Relevant, e, a. afhangend, afhankelijk.

Rele||ve, ée, a. weder opgeraapt; opgestaan; opgehaald, gehoogd, verhoogd; lig. aanzienlijk; hoog, verheven, edel; — vé, m. het opstaan; het wederoprichten; uittreksel (uit eene rekening enz.); lijst, opsomming, v.; faire Ie — de toute» Ie» tante». eene lijst van al de fouten van een werk maken; —, opvolgende schotel, gerecht; afgenomen en weder opgelegd hoefijzer; — vée, f. namiddag, namiddagtijd. m.

Reléve, f. het aflossen van werklieden, van soldaten.

Relève-jnpe, m. band, m. om den vrouwenrok op te schorten; pl. de» relève-jupe(»).

Hele vemen t, m. weder oprichting, oplich-

uug, v.; — uu pum, net springen van neiaeK;

— tt la hou»»ole. peiling met het kompas, v.;

— «ruil navire éclioué, het ophalen, lichten van een gestrand schip.

Relève-quartier, m. schoenaantrekker, m. schoenhoren, m.; pl. de» relève-quartier.

Rele||ver, v. a. (préf. re et lever) opheffen, opnemen, weder oprichten, ophelpen; verhoogen, verheffen; aflossen; bestrallen, berispen; weder ophalen, (oude twisten), vernieuwen; opbeuren, aanmoedigen; vrijspreken; — 1111 vai»»eau, een schip weder vlot maken; — par Ie traver» ou par Ie boi»»oir, dwars af, of kraanbalkswijze peilen; — une eóte, eene schets van de klist afteekenen; — Ie quart, de wacht aflossen;

— 1'ancre, het anker weder lichten; —, peilen (door middel van het kompas bepalen, in welke richting een voorwerp ligt); — tui appel, voor hoogere rechtbank beroepen, voor hoogeren rechter betrekken; — mie hunne actiun, eene goede daad verheffen, roemen; — un mut piquant, een stekelig, scherp woord bits beantwoorden; — la tète, het hoofd opheffen; fig. het hoofd opsteken; — Ie» faute» de qn., iemands fouten doen opmerken; — un délaiit, het verloren spoor van het wild weder vinden; —, v. n. uit het kraambed opstaan, den kerkgang doen; — d'une inaladie, opkomen, genezen (van eene ziekte); — de qch., de un.. van iets of iem. afhankelijk zijn; re lief relevait de l'empereur, dit leen werd door den keizer vergeven; »e —, v. pr. weder opstaan; fig. het hoofd wederom opbeuren, zich van geleden schade of verlies herstellen; lig. »e — d'une perte, een verlies te boven komen;

—veur, a. m. inu»ele —, ou —, m. opheffende spier.

Reliage, m. het kuipen van een vat, het omleggen van hoepels.

Reliel', m. (subst. verbal de re lever) vlak verheven beeldwerk; verhevenheid, v.; lig. roem, luister, m. aanzien; —», pl.overgeschoten brokken, m. (bij La Fontaine); earaetère» en —. verheven uitkomende letters; demi—, half verheven werk; ba»—, half verheven beeldwerk; eette figure a hien du —, die figuur komt goed uit; mettre qch. en —, iets goed doen uitkomen.

Rellen, m. grof gestooten en ongezift buskruit.

Relier, v. a. weder binden, herbinden; (een boek) inbinden; (een vat) kuipen; fig. met elkaar verbinden; »e — a qcli., met iets in verbinding staan.

Relieur, m. boekbinder.

Reli||gieu»ement, adv. godsdienstig; getrouwelijk, nauwkeurig; — gieux, eu»e, a. godsdienstig; godvruchtig, aandachtig; nauwgezet, nauwkeurig; tot eene geestelijke orde behoorend; —gieux, m. monnik, kloosterbroeder: —gieii»e, f. non, kloosterzuster; — gion, f. (lat. religio; de re, préf. et lig are, lier) godsdienst, m. religie, v.; monniksorde; malteserorde. v.: — de l'Ktat. staatsgodsdienst: — do.

miiiaiite. heerschende godsdienst of kerk;

mettre en —, in het klooster steken; »e faire une —, 1111 point de — de qcli., zich iets tot een' heiligen plicht rekenen; — du Herment, heiligheid van den eed, v.; »urpreiidre la — de qn., iem.misleiden, bedriegen; — gioimairc, m. et f. hervormde, gereformeerde, m. en v.; —gio»ite, f. nauwgezetheid van geweten, v.; vroomheid, v.

Heliuier, v. a. hervijlen, overvijlen; fig. beschaven.

ReliiiHguer, zie Ralinguer; — gue», zie Ralingue».

Heli quaire (pr. kère), m. heiligkas of relequiekas, waarin overblijfsels der heiligen bewaard worden, v.; — quat (pr. ka), m. overschot; —quataire, m. schuldenaar van het overschot eener rekening; —que. f. (lat. reliquia?, restes) heiligdom, overblijfsel van een heilige, reliquie, v.

Helire, v. a. herlezen, weder overlezen.

Reliure, f. band van een boek, m.: het inbinden; — en veau, kalfsleeren band; — en parchemin, perkamenten band.

Relocation, f. wederverpachting, wederverhuring. v.

Helou age, m. rijtijd der haringen, m.; —er, v. a. weder huren of inhuren; ook: onderverhuren (verhuren aan een ander hetgeen men zelf gehuurd heeft); beter: »ou»>louer.

Reluire, v. n. blinken, schitteren, flonkeren, glans geven; prov. tuut ce qui reluit ii'e»t pa» or, het is al geen goud, dat blinkt; —, fig. uitblinken, uitmunten.

Reluiaant, ante, a. blinkend, glinsterend, schitterend.

Reluquer, v. a. fam. begluren, bekijken; met begeerige blikken aanzien.

Relu»trer. v. a. weder srlansen. nieuwen

glans geven.

Helute, f. herlezing, overlezing der proeven, v. Kcniaeheuient. m. het herkauwen; fig. het herhaaldelijk overleggen; —clier, v. a. herkauwen; fig. herhaaldelijk overdenken.

35*

Sluiten