Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rit (pr. rite). Rite, m. (lat. ritus) kerkgewoonte, -plechtigheid, v., ritus.

Ritardando, adv. vertragend (in de muziek).

Ritournelle, f. herhalingsthema, het meermalen wederkeerend gedeelte in een zang- of muziekstuk, ritornelle.

Ritualiste, m. kenner van, schrijver over de kerkplechtigheden, de kerkgewoonten.

Rituel, m. (rad. rite) kerkgewoontenboek, boek der kerkgebruiken; —, elle, a. tot den ritus of het rituaal behoorend.

liivage, m. (lat. ripa, rive) oever, m. strand, kust, v.

Rivall, m. ale, f. medeminnaar, mededinger, medeminnares, mededingster; — liwer. v. n. wedijveren, mededingen; —lité, f. ijverzucht, v. wedijver, m. mededinging, v. minnestrijd, m.

Rive, f. oever, m. kust, v.

River, v. a. klinken, de punt van een spijker neerkloppen of omklinken; lig. vastmaken; fig. fam. — a qn. hou elou, iemand den mond snoeren; feu puur —, vuur, om klinknagels te gloeien.

Riveraiu, m. aine, f. bewoner van den oever of kant van een bosch of van eene rivier, kustbewoner; langs de oevers, aan de oevers wonend of liggend.

Rivesalteft, m. muskaatwijn, m.

Rivet, m. klinknagel, klinkbout, m.; punt van een spijker, die op den hoef van een paard omgeklonken is, v.; binnenste naad van een schoen, m.

Rive tage, m. het vastklinken met nagels; —ter, v. a. met nagels vastklinken.

Kivii'rp. f.(Kt..rivus.ruisseau)vloed.stroom.

m. rivier, v.; veau de —, Normandisch kalf (van de weilanden om de Seine); vin» «Ie —, Champagnewijnen (van de oevers der Marne); mie — de diamanta, een snoer van gezette diamanten; prov. porter de l'eau « la —, water naar de zee dragen; la Rivière de (•«tiies, de Riviera, de kust van Genua.

Rivoir, m. klinkhamer, m. werktuig om te klinken.

Riviilaire. a. (lat. rivulus, petit ruisseau) aan beken of vlieten groeiend.

Rivure, f. klinknageltje; het klinken of omklinken; geklonken kop, klinksel.

Rixdale, Riadale, f. rijksdaalder, m.

Rixe, f. twist, strijd, m.; hoogloopend geschil, stormachtige discussie, v.

Riz (pr. ri), m. rijst, v.; poudre de —, rijstepoeder (soort van droog, wit blanketsel).

Rixe, m. beurs met 15000 dukaten, v. (Turksche rekenmunt).

Riziére. f. rijstveld.

Roat*t-beef, m. op Engelsche manier half gebraden rundvleesch, rosbief, v.

Rob, m. ingekookt, verdikt sap, vruchtextract.

Rob ou Rohre, m. (angl. rubber, partie liée) robber, rubber, m. (in 't whistspel).

Robage, m. het omslaan van het dekblad bij sigaren.

Robe, f. rok; tabbaard of tabberd, m.; vrouwenkleed, japon, jurk; fig. vel, huid, v.; la — d'un eigare, het dekblad van een sigaar; la — d'une fève, «I'iiii oigiio», de schil van eene boon, van eene ui; — «Te eliauibre, kamerjapon, v. nachtrok, m.; — de unit, lang nachthemd: gen» «Ie —, lig. rechtsgeleerden; preiidre la —, advocaat worden; la liaute —, de hoogste ambtenaren; la — eourte, de militairen; prov. Dien domie

Ie froid selou la —, God legt den mensch niet meer op dan hij dragen kan; £tre de —, tot den rechterstand behooren; la — d'un «•beval, het vel, het haar van een paard; ee ebat, ee cbien a une belle —, die kat, hond heeft een mooi vel.

Robelage, m. ontbolstering, afschrapping, wegneming van het buitenste bekleedsel, v.

Rober, v. a. de lange haren van een hoed afschrappen; schellen, schillen, doppen.

Robert, m. sauee (a la) —, pikante saus (van uien, azijn enz.).

Robert-Maeaire, m. schaamtelooze kwakzalver en oplichter.

RobeMpierria||ine, m. het schrikbewind; —te, m. aanhanger van 't schrikbewind.

Robeuse, f. arbeidster (op eene sigarenfabriek).

Robin, m. spotnaam voor een rechtsgeleerde; —, (diminutif de Robert): prov. ton jour* Houvient a Robin de se» finten, men vervalt licht weer in zijne oude zonden; un plaiNant Robin, een schaapskop.

Robijl net, m. kraan, v. van een vat, kuip, fonteintje; gros —, hoofdkraan; fig. r'eut un — «l'eau tiéde, het is een onbeduidend, eentonig babbelaar; — netier, m. kranenmaker; —netterie, f. het maken van kranen, handel in kranen; kranenfabriek; gezamenlijke kranen.

Robinier, m. acacia, m.

Roboratif, ive, a. (lat. robur, force) versterkend.

Robre, m. robber, rubber, m. (whistspel). Zie Rob.

RobuH||te, a. (lat. robustus; de robur, force) sterk, gespierd, kloek; fig. avoir mie foi —, een vast, onwankelbaar geloof hebben (dikwijls ironisch); — temeiit, adv. op sterke, kloeke wijze; — tewse, — tieité, f. kloekheid, forschheid, v.

Roe, m. rots, klip, v.; kasteel, toren, m. (in het schaakspel) (tegenw.: tour).

Rorailüle, f. schulpwerk, grotwerk; —Ier, v. a. met schulpwerk, grotwerk bekleeden; —leur, m. schulpwerker; — leux, ne, a. vol keitjes of steentjes; fig. ntyle —, stootende, harde, niet vloeiende stijl.

Roeambolf, f. bolprei,v. Spaansche sjalot, v.; fig. fam. iets dat het meest prikkelt of op wekt; flauwe scherts.

Roeli (wamt), f1327; fig. c'ent aaint — et sou ehieu, ze zijn onafscheidelijk.

Ro||elie, f. rots, steenrots, v.; fig. e«rur«le —, ongevoelig, versteend hart; il y a (quel«|ue) anguille nou* —, fam. daar schuilt wat onder; eriatal de —, bergkristal; fig. vieille —,oude tijd, m. ouderwetsche zeden, v.; fig. Iiomnie de la vieille —, man van den ouden stempel, man van erkende rechtschapenheid; iiobleMMt» de la vieille —, oude adel.

Rocbelaia, e, Roelieloi», e, a. van of uit La Rochelle; m. et f. inwoner, inwoonster van La Rochelle.

R«»eher, m. rots, v. rotssteen, m.; klip, v.; (rots)eilandje; rotsbeen (van 'tslaapbeen); tenue eoinine un —, zoo vast en hecht als een rots; c«eur, Aine «Ie ongevoelig hart; parler aux — m, voor doove ooren preeken.

Rochet, m. koorhemd met enge mouwen; korte, dikke spoel; roue a —, stuitrad, schakelrad (in een uuiwerk).

Rorbette, f. laket, v.

Roeheux, euse, a. rotsig; mout* Ro«lieux,

Sluiten