is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een spoortrein); pl. des serre-freins; —joint, m. klemhaak, m.; pl. des serre-joints.

Serrêmeiit, adv. vast, dicht in een; fig. zuinig, karig.

Serrement, m. drukking, nijping, v.; — de c<rur, benauwdheid, beklemming van het hart,v.

Serre-nez, m. neusnijper, neuspranger, ra.; pl. des serre-nez.

Serre-nceud, m. knoopaantrekker, verbandhouder, m. (heelmeesterswerktuig); pl. des serre-nceuds.

Serre-pa pier(s), m. papierlade, papierkist,v.; papierdrukker, m.; pl. des serre-papiers.

Serre-point, m. aanhaalklos, ra.; pl. des serre-points.

Serre-pouces, m. pl. duimschroef, v.

Serrer, v. a. (lat. sera re; de sera, serrure) samenbinden, vast toetrekken, samendrukken; drukken, persen, klemmen enz.; intrekken; insluiten; wegsluiten; wegleggen, wegbergen; fig. — les ponees a qn., fam. iemand de duim«f.hrnftvftn aanleggen: lier. iemand kwellen om hem

iets te doen bekennen: fig. — Ie bouton a qn., bij iemand hard op iets aandringen; — ses bijoux, sou argent, du linge, zijne edelgesteenten, zijn geld, linnen opbergen, wegsluiten; — les eordons de la bourse, — la

«Ullior, SCC» fjciu «*©•

beknopt, bondig schrijven; — sous clef, achter slot brengen; des souliers qui serrent Ie pied, schoenen die knellen; — un nwud, een knoop aanhalen; fig. in benauwdheid brengen; — la ligne, de liniesluiten; — les rangs, degelederen sluiten; — IVnnemi au feu, den vijand van nabij bestoken; — Ie vent, aan den wind knijpen, geen wind overgeven; — les voiles, de zeilen innemen; — de prés, kort op de hielen zitten; se —, v. pr. zie ook Serré.

Serre-téte, m. nauwsluitende band of doek, m. om 't hoofd; pl. des serre-téte.

Serrette, Sarrette, f. zaagblad (plant).

Serron, m. specerij-kist, v.

Kerllrnrf» f. (lat. sera) slot: — a doublé

tour, dubbel slot, nachtslot; — a ressort, snrincr-. veerslot: — de sureté. veiligheidsslot;

— a seeret, geheim slot, met geheime sluiting; la — est inèlée, het slot is verdraaid; —rurerie, f. slotenmakerij, v. slotenmakerswerk; —rurier, m. slotenmiker.

Ser||tir, v. a. een edelgesteente in- of vastzetten; —tissage, — tissement, ra. het in- of vastzetten van edelgesteenten; —tisseur, m. zetter van edelgesteenten; — tissure, f. het inof vastzetten van edelgesteenten.

Sérum (pr. rome), m. (mot lat.) bloedwater, bloedwei; melkvocht.

Servage, ra. (lat. servus, esclave) dienstbaarheid, v. lijfeigenschap.

Serval, m. panterkat, v. serval, m.; pl. des servals.

s«>rv»ii!it. a. m. dienend, in dienst: frères

—s, ehevaliers —s, dienende broeders of ridders; — d'ainour. minnaar; gentilsliom-

mes —ts, dienstdoende kamerheeren; — (d'artillerie). onderkanonier; —, bijtafeltje (om borden, glazen enz. op te zetten), tafelknecht; —te, f. dienstmaagd, dienstbode, dienstmeid; dienares.

Her via || ble, a. dienstvaardig, dienstwillig, gedienstig, bereidwillig: — bleuieiit, adv. dienstvaardig. gedienstig.

Service, m. (lat. servire, servir) dienst; godsdienst; krijgsdienst, m.; bediening, v.; ge¬

recht; tafel vaatwerk, servies, tafellinnen; ètre en —, dienen; étre de —, den dienst hebben (op wacht zijn enz.); £tre au — de qn., in iemands dienst zijn; hors de —, buiten dienst; porte, esealier de —, deur, trap voor de bedienden; — militaire, krijgsdienst; — obligatoire pour tous, algemeene dienstplicht; prendre —, dienst nemen; appelé au —, dienstplichtig; rendre —, een dienst bewijzen; avant, après Ie —, vóór, na de godsdienstoefening; repas a six —s, maaltijd waarbij zesmaal opgedragen wordt;

— de l'Etat, staatsdienst, m.; assurer qn. de ses — s, iemand van zijne dienstvaardigheid de verzekering geven.

Serviette, f. servet, handdoek, m.; fam. portefeuille van advocaten en procureurs, v.

Serviflle. a. slaafsch, slaafachtig; dienstbaar; fig. verachtelijk, slecht, gering, laag; guerre —, slavenoorlog; — lenient, adv. slaafachtig, op slaafsche wijze; — lisine, m. slaafschheid, v.;

— lité, f. slaafsche geest, m.

Serviote, f. plechtbalk, m.

Servir, v. a. dienen, bedienen; oppassen; (de spijzen) aanrechten, opdisschen; voorleggen;

— , v. n. uienen, suokkch, uuivig, uoa zijn; — a, tot iets nuttig of dienstig zijn; — de, tót iets, in plaats van iets, dienen of strekken; 011 a déja servi, raen heeft het eten reeds opgedragen; madame est servie, er is opgedragen, de soep staat op tafel (aankondiging van de bedienden aan de vrouw des huizes);

— Ie potage, de soep opdienen, opdisschen;

— une rente, eene rente betalen, afdoen; se —, v. pr. de qch., iets gebruiken, zich van iets bedienen; si ma uiéinoire ine sert bien, als ik mij wel herinner.

Servite, m. servieter monnik.

Servi||teur, m. dienaar, bediende; oppasser; minnaar; vereerder; je suis votre —, fig. fam. ik zou je danken; —tude, f. dienstbaarheid, slavernij, v.; dwang, m.; last, m. bezwaar, v. servituut.

Ses, pron. poss., pl. zijne of hare.

Sesaljme, m. Turksch koren, vlasdotter, v. sesam, m.; —, ouvre-toi! sesam, open ju! (1001 Nacht); — inoïde, a. os —, sesambeentje.

Sésèli, m. seselikruid (soort van venkel), bergeppe, v.

^esie, I. soori van viinuer, ui.

Sesquialtère, a. hetgeen anderhalf mail zoo veel bevat.

Sesse, f. hoosvat.

Sessile, a. onmiddellijk op den stengel of tak zittend. , .

Session, f. zittingstijd in het geheelejaar, m. zittingsperiode eener vergadering, v.; ouverture, elóture de la —, opening, sluiting deizitting. ^

Sesteree, m. sestertius (soort van Romeinsche munt van 21/2 as), m.

Setier, m. mud, mudde, zekere Fransche graanmaat van 156 liters; oude wijnmaat (4't liter); demi—, half pintje.

Sétillfère, a. met borstels of stijve haren bezet; — forme, a. borstelvormig.

netoil, m. (lui. seia, suie ue jn«w »■,

seton, ra. zijden snoer dat men door 't celweefsel haalt, om vochten af te leiden.

Seuil, ra. drempel of dorpel van eene deur, m. Seuillet, m. onderdrempel van de poortgaten van een schip, m.

Seul. eule, a. (lat solus) alleen; enkel, eenig; eenigste; cavalier —J de heer danst