is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Testieule, m. zaadbal, teelbal.

Testif, m. kemelshaar.

Testiiiioiiial, ale, a. getuigenis gevend, getuigend.

Teston, m. teston, oude zilvermunt (10 tot 19 sous).

fTeatonner, v. a. het haar kammen of opmaken; fam. om de ooren slaan.

Tèt, m. scherf van een gebroken pot; hoofdschedel, bekkeneel, hersenpan.

Téta||nie, f. zenuwkramp; — niqur, a. recht- , stijvig, zenuwkrampaehtig; —nos (pr. norr), j m. (gr. tetanos, tendu, raide) kramp van het , gansche lichaam, waardoor het stijf en onbewe«?elijk is.

Tétard, m. kikkervischje, zeker vischje met heel dik hoofd; oude boom, dien men als grenspaal heeft laten staan.

Tétasses, f. pi. fam. slappe en hangende borsten. !

Tète, f. (lat. te sta, crane) kop, hoofd; fig. j voorst of bovenst gedeelte van iets; opperste, spits; wederstand, tegenstand; koppigheid; Ie liaut de la—, de schedel; — de mort, doodshoofd; couper la — a qn., iemand onthoofden;

— blaneliie, vergrijsd hoofd; prov. grosse — pen de sens, een groot hoofd en weinig verstand; la — lui tourne, zijn hoofd loopt om; la — lui est touruee, zijn hoofd is op hol; I

— verte, losbol; un coup de —, eene onbezonnen daad; faire un coup de sa —, zijn | eigen zin volgen; — eliauve, kaalkop; — revéelie, dwarskop, doordrijver; avoir la — frlée, niet wel bij het hoofd zijn; — légere, windbuil; voix de —,falsetstem,fausset; taire sa —, eene hooge borst opzetten; ee sont deux —s dans un bonnet, het zijn twee handen op j één buik, zij verstaan elkander; tourner la ;

— a qn., iemand het hoofd doen omloopen, : iemand het hoofd op hol brengen; faire — a, het hoofd bieden, weerstand bieden; agir ou payer de —. met verstand en beleid te werk gaan; la — «run pont, scharib aan het einde eener brug, bruggeschans; la — d'un ramp. het voorste gedeelte, de spits des legers; prov. a laver la — d'un More, on perd sa lessive, liet is den moriaan gewasschen; — derabestan ou de gouvernail, de kop van de st :.l, van het roer; — de mat, top van den mast; —s de varangues, kimmings; — d'un arbre, top f kruin van een boom; donner — baissee sur qu., onverschrokken op iemand losgaan; avoir mal a la —, hoofdpijn hebben; — de linotte, — a l'évent, fam. luchthoofd, halve gek; laver la — a qn., fam. iemand flink doorhalen; avoir martel en —, muizenissen in 't hoofd hebben; fig. ne savoir oii donner de la —, fam. niet weten waar men zich keeren of wenden moet; avoir la — prés du bonnet, la — rliaude, opvliegend of oploopend zijn; lig. par-dessus la —, fam. tot over de ooren, overkropt, overladen met iets; lig. aller In __ lever, fam. zonder schroom, met opgeheven hoofd voortgaan; rrier a pleine —, a tue—, uit al zijne macht schreeuwen; bonne —, liomme de —, verstandig man; avoir de la —, verstandig zijn; jeter qrli. a la — de qn., iets vooreen zeer lagen prijs aanbieden; perure In —. de kluts kwiit raken: se ieter a la —

de qn., te gewillig, vaardig zijne diensten aanbieden; belle —, fraaie bos haar; n'eii faire qu' i» sa —, faire tout a sa —, in alles zijn zin volgen; par per hoofd, per stuk, voor

eiken man of persoon; en —, adv. van voren.

Trte-a-tète, adv. onder vier oogen; —, m. heimelijk gesprek, heimelijk onderhoud; pl. des tète-a-tète.

Téte-bécbe, loc. adv. rouelier a —, kop aan staart te bed liggen.

Téte-bleu, interj. (tète de Dieu) donders (vloek).

Téte-de-mort, f. doodshoofdje, eekhoornaap, m.: doodshoofd, (vlinder); pl. des tètes-de-inort.

Trte-morte, f. doodekop, caput mortuum.

Teter, Téter, v. a. etn.zuigen; donnera —, de borst geven.

Tètière, f. mutsje van een pasgeboren kind; kopstuk van den toom eens paards; het raalijk van een zeil.

Têti Hii, Teti||n, m. tepel m.; —ne, f. uier m.

Teton. Trton, m. pram, mam, v. der zoogdieren; fam. borst van eene vrouw.

Tetoimière, Tetonnière, f. boezemband, m.; vrouw met zware borsten.

Tétra, voorvoegsel dat vier beteekent.

Tétra||eorde, m. (gr. tettara, quatre, et corde) lier met vier snaren, v.; —èdre, m. (gr. tettara, quatre; edra, face)lichaam, dat in vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten is; —gone, m.(gr. tettara,quatre; gónia,angle) vierhoek, m. vierkant; — logie, f. drie treurspelen (trilogie) en een naspel.

Tétrarllcliat (pr. ka), m. waardigheid, heerschappij van een viervorst, v.; —rliie, f. viervorstendom; —que, m. (gr. tettara, quatre archos, commandement) viervorst.

Tetras (pr. trA), m. woudhoen.

Tétras||tyIe, m. (gr. te11ara, quatre; s t u 1 os colonne) vi'erzuilig gebouw; — tique, m. kort dichtstukje van vier rijmen.

Tette, f. speen, v. tepel, m. der dieren.

Tétu, ue, a. hoofdig, koppig, eigenzinnig; m. et f. stijfkop, m. et f; —, m. grootkop, dikkop, zekere viscli, m.; punt-, breekhamer, m.:

metselaars oreeKnumer, m.

Teiilltomanie, f. voorliefde voor al watDuitsch is, v.; —ton, onne, a. Duitsch, Teutoonsch; —toiiique, a. Duitsch; ordre —, orde der Duitsche ridders.

Tex||te, m. (lat. textus: de texere,tisser) tekst, m.; gros(-)—, petit(-)—, groot-tekst, klein-tekst (lettersoorten); —tile, a. (lat. textilis, de texere, tisser) dat gesponnen of geweven kan worden; —trine, f. tapijtwerkerskunst, v.; —tuaire, m. boek met den tekst alleen; tekstkenner; —tuel, elle, a. dat in of van den tekst is, woordelijk, letterlijk; —tuelleinent, adv. woordelijk, letterlijk; —ture, f.(lat. texura; de texere, tisser) weefsel, samenweefsel, samenhang, m.

Tlialer. (pr. Irre), m. Duitsche daalder, thaler, m. (/' 1.80). .

Tlialirtron. m. waterruit of ruite, v. (plant).

Tlialie, f. Thalia, de muze van 't blijspel, v.; dichterlijk: het blijspel.

Tlialweg (pr. vrgue), m. (all. thal, vallee; weg, chemin) dalweg, m.

Tliaumatiirllge, a. (gr. thauma, prodige; ergon, <vuvre) wonderdadig; —, m. et f. wonderdoener, wonderdoenster; — gie, f. wonder-

(ïauig verinogen; — giqur, ». wuuuciuamS.

Tlié, m. thee, v. theeblad, theeservies, theevisite. v.; hoite a —, theekistje, theedoosje of busje; une tasse de —, een kopje thee; prendrr du —, thee drinken; verser Ie —, theeschenken; rtre invité a un —, op een thee gevraagd