is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ooren tuiten; —tin, m. tingeling, v. het geluid '•ener schel.

Tinto, m. Spaansche wijn, m. tintowijn, m.

Tintoiiin. m. geruisch of getuit in de ooren; lig. onrust, verlegenheid, v.

Tipule, f. waterspin, v.

Tique, f. hondeluis, schapeluis, v.

Tiquer, v. n. kribbebijten (van paarden).

Tiqueté, êe, a. gestreept, gevlekt.

Tiqueur, m. kribbebijter.

T^1"'schieten, de kunst van schieten, schietlijn, v.; schot; schiettentje; schietterrein; , .7! 41 eible, het schijfschieten; £tre liabile an —, een goed schutter zijn; — de» lusees, raketvuur.

Tirade, f. reeks van woorden, gedachten enz., sleeping, v.; het spelen van verschillende noten in een streek; tout d'une —, fam. achtereen, in een adem.

Tirage, m. het trekken, trekking (der loterij), v.; het drukken van letterdruk of koperen platen; het loten, het trekken (voor de militie, in del oterij); het drukken, afdrukken; oplage, v. (van een krant, een werk).

Tirail||leuient, m. het heen en weer trek- 1 ken, het slingeren; fig. onzekerheid, weifeling, 1 besluiteloosheid, v.; —Ier, v. a. (rad. tirer) heen en weer trekken, slingeren; in het veld met den vijand schermutselen, hem door klein ' geweer verontrusten; -lerie, f. het slecht;1 onhandig schieten; —leur, m. een slecht, on- I handig schutter; scherpschutter, tirailleur; —8 indigeiies, turcos (inlandsche soldaten).

Tirant, m. trekker (van eene laars), m.; ! snoer of koordje, waarmede men een beursje

tOftt.rfilft? «na n nor «on . jm.l_

...V. cciic HUIII, lil.; UlKKc.

breede zenuw aan den hals van een os enz., v.; dwarsbalk, m.; waterdracht (van een schip); — d eau, diepgang, m.

Ti rat» || se, f. treknet, sleepnet; —ser, v. a. et n. met een trek- of strijk net jagen.

Tire. f. voler a — (-)d'aile, snel vliegen; tout d une —, loc. adv. fam. achtereen, in één adem.

Tiré, m. jacht, v. met het geweer.

Tire, e, p. et a. getrokken; \isage —, mager, betrokken gezicht; — par Ie» cheveux, bij de haren er bij gehaald; — a quatre epmgles. fam. netjes opgeschikt.

Tiroll.kalla m ~ ... _ï ■ . •

v.; pi. ues urena Men; —«hord, m. schroef, die men gebruikt, om de planken, welke van het boord afgeweken zijn, aan te drukken, v.; pl. de» «ii-r-hordn; —-botte, m. laarzeknecht, laarzetrekker; pl. de» tire-boltpN; —bourbon, m. kurketrekker, m.; lange krullen (gekapt in spiraalvorm); pl. de» tirp-houplioiiH; —bourrr, m. kogeltrekker, m. aftrekker, krasser, m.; pl. dentirebourreM; - bonton, m. knoophaak, knoontrekker, m.; pl. den tirp-bontoiiH; —clou, m. dekhamer (der leidekkers), m.; pl. de» lire-

cliinw —Ltiluil.. m ... i .

: ii2 » «« 'V ' ' ,viav uuëc vieugeisiag, m.; a tire(.)d aile, met snelle vlucht; pl. den tiret-l daile; —-fond, m. bodemtrekker, m.; — laine, m. wolproptrekker, m. der metaalgieters; tgauwdief; pl. de» tire-laine; —laisse, m. lam. verijdelde, teleurgestelde hoop, v.; —.la. rigot, adv. hoi re a —, met groote teugen, overmatig drinken; — «ligne, m. trekpen, v.; lig. onkundig architect; pl. de* tire-llgnes.

Ti re || lire. f. spaarpot, m.; het zingen der leeuweriken; — lirer, v. n. tierelieren, zingen als een leeuwerik; —inoelle. m. mergtrekker,

merglepei, m.; pl. de» tire-moelle: —pied, m. spanriem der schoenmakers, m.; pl. des tire-pieds; —plotiih, m. loodtrekker der glazenmakers, m.; pl. des tire-ploml»; — point ou —pointe, m. bleekraam; pl.des tire-points, tire-pointes.

Tirer, v. a. (lat. trahere) trekken, uittrekken; open- of toetrekken; uittrekken; uitspannen, rekken; aantrekken; inzuigen; scheppen, putten; tappen; nemen, halen; schieten, losbranden, losgaan, afgaan; melken; drukken, afdrukken; schilderen, afbeelden; uitdrukken, uitpersen; — la langue, de tong uitsteken; — de I eau, water putten of scheppen; — du vin. wijn tappen; — du Hang, aderlaten, bloed aftappen; — une vaelie, eene koe melken; se taire —, zich laten schilderen; — vingt piedw

-. „...uuj »uci uiepgiiug neuuent van scnepen); lig. — Ie diahle par la queue, moeilijk ! aan den kost kunnen komen, armoe lijden; — hou epingle du jeu. zich stilletjes van eene i zaak afmaken; — pied ou aile de qch., fam. I naring of kuit ergens van hebben, voordeel uit I iets trekken; — raison, satisfaction de qeli., zich voldoening over iets verschaffen; — vengeanee de qeli., wraak over iets nemen; — i vanite de qeli., met iets pralen, op iets j pochen; — avantage de, zijn voordeel doen | met; — hou origine, — sa souree de, ontI spruiten, ontspringen uit, zijn oorsprong hebben j van; — un feu d'artiliee, een vuurwerk afsteken; — des fiisêes, vuurpijlen afsteken: — pa.vs, fam. wegreizen, wegloopen, het hazenpad kiezen, —, v. n. trekken, vluchten; — au sort, loten; — au elair une affaire, eene zaak ophelderen; — a la courte paille, metstroohalmen het lot trekken; lig. — les vers du nez a qn., iemand listig uithooren; —sur, zweemennaar; eette etofle tire sur Ie vert, die stof valt in t groene; tig. - sur qn., fam. op iemand gelijken; kwaad van iemand spreken; — au court baton avec qn., voor een ander niet willen wijken; prov. — sa poudre aux moineaux. tijd en kosten aan verkeerde dingen verspillen; ~ Qn- «i'inquietude, iemand uit ongelegenheid redden; se -, v. pr. zich redden, zich trekken;

7- de pair ou du pair, zich boven zijns gelijken verheffen; zich uit eene netelige omstandigheid redden; fig. se — une épine du

7inh llit aanu .... ~ ™ a _ i • .

..inzeil.tuit-, netelige zaaK

rt»nriP.n • ti en k:.... .— i _«

«7—' *" » ™ "««-ii —, ei gueu aiKomen.

l ire-sout(s), m. pop. voorschieter van geld, woekeraar, schraper.

Tiret, m. koppelteeken, bindteeken; snoer, waaraan men papieren rijgt, lias, v.

Tiretaine, f. tierentaal, soort van grove half wollen en half garen stof, v.

Tire-t^te, m. koptrekker; pl. des tlre-tète(s).

Tireur, m. schutter, jager; trekker (van wissels); — d'or, gouddraadtrekker.

Tireuse, f. trekster, haspelaarster; — de eartes, kaartlegster.

Tl re-vel He, f- touw, waaraan men zich vasthoudt bij het opklimmen van de valreep; pl.

<l«>u hro.voilloM

Tiroir, m. schuif-, treklade, v.; stoomschuif. v.; piece a —, tooneelstuk dat geen samenhang heeft.

Tironien, ienne, a. earaetère —, verkort schrijfteeken, verkortingsteeken.

Tisane. f. (lat. ptisana, décoction d'orge) gerstedrank, m. gerstewater.

Tison, m. (lat. titio) brandhout; fig. fam.