Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ultcrieuilr, eure, a.Uat. ulterior; de ultra, au deli) aan gene zijde gelegen; verder, dat volgt; — remeiit, adv. verder; nader.

Ultimatum (pr. ome), m. (lat. ultimus, dernier) laatste voorwaarde, eindverklaring, v. ultimatum; c'est la nion —, dat is mijn laatste woord; pl. de» ultimatum.

Ultimo, adv. in de laatste plaats, ten laatste.

Ultra, m. iemand die verder gaat dan zijne partij medebrengt.

Ultra-cavalier, iére, a. al te ruiterlijk.

Ultra||*libéral, e, a. overdreven liberaal; —libéralisme, m. stelsel der ultra-liberalen, overdreven vrijzinnigheid, v.

Ultraiiioii|;taiii. aine, a. aan gene zijde van de Alpen woonachtig; a. et m. et f. voorstander van 't pausdom, zijne onfeilbaarheid enz.; — tanisme. m. leer en grondstellingen, v. der ultramontanen.

Ultranvolutiomiaire, a. et m. overdreven aanhanger der revolutie.

Ultra>royaliste, a. et m. overdreven aanhanger van het koningschap.

Umhle, m. ridder, m. (soort forel).

Umbre, m. ombervisch, m.

Uil, une, a. (lat. unus, un seul) een, m. eene, v.; tont —, even eens, het zelfde; — a —, een voor een; 1' — l'autre, elkander; doiiuer d'une. fam. eene poets spelen; I'mii portant l'autre, I' — daim l'autre, door elkander; de deux jours I'—, om den anderen dag; de deux elioses Tune, één van tweeën kan slechts waar zijn; fam. «-'est tout —, dat is net hetzelfde.

Unaiii||iiie, a. (lat. unus, unseul; animus, esprit) gelijk, eenparig, unaniem: — memeiit, adv. gelijkelijk, eenpariglijk; —mité, f. eenparigheid, eenstemmigheid, v.

l'nau, m. luiaard (zeker dier), m.

Uneiale, f. groote, hooge beginletter, v.

Unguis (pr. on-gu>ice), m. traanbeentje.

lui, ie, p. et a. vereenigd: gelijk, effen: vlak; eenvoudig; —, adv. gelijk, effen; ja 1' —, adv. gelijk, waterpas.

Unicolore, a. eenkleurig.

Uniéflme, a. een (bij de getallen van 20, 30 enz.); — uiement, vingt et — etc., adv. ten een en twintigste, enz.

Uniillicatinn. f. éénwording, éénmaking, v.; —lier, v. a. (lat. unus, un seul; facere, faire) tot één maken; — flore, a. eenbloemig.

Unifor me. a. (lat. unus, un seul; forma, forme) gelijkvormig, overeenkomstig, eenparig; mouvement —, eenparige beweging; —, m. monteering; v. regimentsdracht, uniform, v.; — menie»t, adv. met gelijkvormigheid, eenparig, eenstemmig; — inisatioii, f. het gelijkvormig maken; — miser, v. a. gelijkvormig maken; lig. over één kam scheren; — mité, f. gelijkvormigheid, gelijkheid, v.

Uniflatéral, e, a.(lat. unus ,un seul;latus, la te ris, coté) eenzijdig; —inent. adv. gelijk, elfen; eenvoudig, op eenvoudige wijze.

Union. f. (lat. unio; de unire, unir) vereeniging, v.; huwelijk; lig. eenigheid, eendracht, v.; het geheel van een paard.

Uni||pare, a. slechts één jong tegelijk voortbrengend; — personnel, a. een persoon lijk.

l'ni||que, a. (lat. unicus, de unus, un seul) eenig; —queinent, adv. eeniglijk, bijzonder, alleenlijk.

Unir, v. a. lat. unire; de unus, un seul) vereenigen; effenen, glad maken, gelijk schaven,

valkhoff, Frang.-HolL i.

slechten; s'—, v. p. zich vereenigen, zich door vriendschap of belang verbinden.

Unisexuel, el Ie. a. éénslachig.

Unis||sant, e, a. vereenigend, samenhoudend; —noii, m. eenstemmigheid, overeenstemmig, samenluiding, v. medeklank, m.; fig. overeenstemming. eensgezindheid, v.; étre a I'— overeenstemmen; se niettre a I' — de tout Ie monde, zich naar iedereen schikken.

Uni||taire, m. die slechts één persoon in de Godheid stelt of aanneemt, eenheidsbelijder, unitaris; —tarisme, m. leer, v. der unitarissen of eenheidsbelijders; —té, f. (lat. unitas; de unus, un seul)eenheid, v.; — tif, ive, a. vereenigend; — val ve, a. eenschalig; — val ven, m. pl. eenschalige dieren.

Univer||s,m.(lat. universus, entier) heelal, wereld, v.; —saliser, v. a. algemeen maken; —saliste, m. voorstander en drijver van de algemeene goddelijke genade; —salité, f. algemeenheid, v. het geheel; — saux, m. pl. algemeene eigenschappen, v.; oproeping tot den Poolschen rijksdag, v.; —sel, elle, a. (lat. universalis) algemeen, universeel; liistoire —selle, algemeene geschiedenis; monarchie —«elle, wereldheerschappij; lioniine — nel, man van algemeene kennis; —selleinent, adv. algemeen, in het algemeen; — sitaire, a. de universiteit betreffend, er toe behoorend; —sité, f. (lat. universitas, universalité) hoogeschool, universiteit, akademie, v.

Univo cation, f. eennamigheid, v. algemeen begrip, éénzinnigheid, v.; — que, a. een van zin, van begrip, eensluidend, eenstemmig.

Upas (pr. pace), m. oepasboom, m. vergiftboom van Java.

l'psilon. m. Ypsilon (Grieksche letter), v.

Urane, m. uranium (metallisch lichaam); —nie, f. Urania, eene der negen zanggodinnen; kuische Venus, v. soort dagvlinder, m.; — niuin (pr. ome), m., zie Urane.

Uranoügrapliie, f. (ouranos, ciel; graphó, description) hemelbeschrijving, v.: — graphiquement, adv. volgens de hemelbeschrijving; —inétrie, f. hemelmeetkunde, v.; —scope, m. sterrenkijker, m. soort van zeevisch.

Uranus (pr. nee), Uranus, m. (planeet).

Urate, m. piszuur zout.

1'rbain, e, a. (urbanue; de urbs, ville) steedsch.

I rbani ser, v. a. een steedsch voorkomen geven; —té, f. gemanierdheid, hoffelijkheid, wellevendheid, v.

l'rcéolé, e, a. kruikvormig.

l're, m. wilde stier, buffel, woudos.

Urebec, m. knoppenvreter, m. soort van bladkever.

Urée, f. pisstof, v.

Urémie, bloedvergiftiging door urine, v.

l'retère, m. pisgang, m.

Urétlire, Urétre. m. pisweg, m. pisbuis, v.

Urgenüce, f. (lat. urgere, presser) dringende, hooge nood. m. drang, m.; —t, ente, a. dringend, hoogst noodig.

Uri||naire, a. de pis betreffend; ronduit —, pisbuis; voies —s, piswegen; — nal, m. pisglas; —natioii, f. het urineeren; —ne, f. (lat. urina) pis, v. water; —ner, v. n. pissen, wateren, water loozen; — neux, euse. a. pisachtig, als pis ruikend; — noir, m. pisbak, m. openbare waterplaats, v.; — que, a. «icide —, piszuur.

Urne, f. (lat. u r n a> urn,aschkruik, v. (waarin de

41

Sluiten