is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloofden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het rumoer en alle gevaar, kon men dan den jongen zich nader doen verklaren. „Ga vooruit, zeide hij hem, en tot de vrouwen: „Volgen wij hem." Zij keeren om, trekken in der haast naar de kerk, over het kerkhof waar gelukkig nog niemand was, schieten een straatje in achter de pastorie, nemen het voetpad daar het op uitkwam, en zoo fluks het veld in.

Zij waren misschien nog geen vijftig schreden ver, toen de eerst ontwaakte dorpelingen zich op het kerkhof vertoonden, die weldra door anderen gevolgd werden, zoodat de menigte gedurig aangroeide. Men keek elkander aan; ieder had eene vraag te doen, niemand een antwoord te geven. De eerst aangekomenen liepen naar de kerkdeur: die was gesloten. Zij liepen naar den toren, en een hunner zijn hoofd door een luchtgat gestoken hebbende schreeuwde uit al zijn macht: „Wat duivel is er dan te doen?" Ambrogio was zoo hoog niet of hij hoorde dit geluid in den hollen toren weergalmen, hetwelk hem overtuigde, dat zijn gelui de verlangde uitwerking gedaan had. Hij liet dus het touw los, riep: „Ik zal open doen! trok schielijk het kleedingstuk aan, dat hij nog onder zijn arm had, daalde neder in de kerk en ontsloot de deur.

„Wat is dat voor een helsch leven? — Wat is het? — Waar is het' Wie is het?"

„Hoe, wie is het? zeide Ambrogio met de eene hand aan de deur, de andere nog aan het overkleed, dat hij zich zoo schielijk had moeten aangooien, om het dicht te houden. „Wat, weet ge het niet? Kwaad volk in huis bij den heer pastoor. Toe, jongens, helpt, helpt!" Oogenblikkelijk wendt alles zich naar dat huis; zij dringen er om heen, kijken in de rondte, naar boven, luisteren: alles stil, deur en vensters dicht, niemand te zien.

„Wie is er dan in? Hei daar! Mijnheer de pastoor! — Mijnheer de pastoor!"

Don Abbondio, die zoo ras hij gemerkt had dat het beleg was opgebroken zijn venster had toegedaan en weder uit zijne verschansing was te voorschijn gekomen, en die nu met Perpetua aan den slag was, omdat zij hem in zulk een dreigend gevaar aan hemzelven had overgelaten, moest, toen hij zich bij name door het volk hoorde roepen, opnieuw aan het venster komen. Zoodra hij dien overvloed van hulptroepen zag, had hij er berouw van ze opgeroepen te hebben.

„Wat is er toch gebeurd? — Wat hebben zij u gedaan? — Wie zijn het? — Waar zijn zij?" schreeuwden wel vijftig stemmen hem tegelijk toe.

„Er is niemand meer. Ik bedank u, vrienden. Gaat maar weer naar huis."

„Maar wie is er dan geweest? — Waar zijn zij heen gegaan? Wat is er gebeurd?"

„Slecht volk, volk dat bij nacht rondzwierf. Maar zij zijn gevlucht. Gaat naar

' Is niets meer. Op een anderen keer, vrienden. Ik bedank u voor uw goeden wil. En hiermede trok hij zijn hoofd naar binnen en sloot het venster. Sommigen gromden, anderen spotten, anderen vloekten, anderen weder haalden de schouders op en gingen heen, toen er eensklaps een komt aanloopen met de doodskleur op t gelaat en bijna buiten staat een woord uit te brengen. Deze nieuwe ongeluksbode was de overbuur van Agnes, die evenals de anderen, door het gelui gewekt en aan het venster gegaan zijnde, op het pleintje voor Agnes' huis de door elkander vliegende bravo s gezien had, op het oogenblik toen Griso hen trachtte te hereenigen. Zoo als hij weder tot zijn adem gekomen was zeide hij: „Wat doet gij hier, vrienden ? Hier is de onraad niet. Hij is ginder, in het huis van Agnes Mondella; gewapend volk is er in. Zij willen een pelgrim vermoorden. God weet wat het is!"

„Wat ? Wat ? Wat ? ' En hier begon eene vrij verwarde beraadslaging. Wij moeten gaan. — Wij moeten zien. — Hoeveel zijn er? — Hoevele zijn wij? Wie zijn het ? De console, de console! (de burgemeester van het dorp).

„Hier zoo! riep de console uit het midden van den hoop, „hier zoo! Maar