is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloofden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijden, hetgeen te voren de andere ondervonden hadden. Wanneer zij bedacht, dat vele harer bestemd waren voor een leven, waarop zij alle hoop verloren had, dan woelde in haar hart een nijd, men zou bijna kunnen zeggen eene wraakzucht tegen die arme kinderen, die haar noopte ze als 't ware bij voorraad te doen boeten voor de genoegens, die zij eens zouden smaken. Iemand die gehoord had met welk eene verbittering, op welk eenen meesterachtigen toon, zij die meisjes voor den geringsten misslag bekeef, zou haar zeker voor eene vrouw van eene gestrenge denkwijze en liefdelooze vroomheid gehouden hebben. In andere oogenblikken gaf dezelfde afkeer van het klooster, van de tucht en de gehoorzaamheid, die daar gevorderd werd, zich op eene gansch andere wijze lucht. Dan verdroeg zij niet alleen de luidruchtige losbandigheid harer leerlingen, maar zette die zelfs aan, nam deel aan hare spelen en maakte haar met opzet wilder en losbandiger, was het niet alleen volkomen eens met haar in de meer of min loszinnige gesprekken die zij voerden, maar hielp haar zelfs op den weg en bracht haar verder dan zij zelve in den aanvang bedoeld hadden. Zinspeelde er eene op het gebabbel der moeder abdis, dan deed de leermeesteres haar na en maakte er eene geheele comedie van. De eene non werd om hare gelaatstrekken, de andere om hare houding bespot. Dan gilde zij het soms zelve uit van lachen, maar het was een lachen dat het hart niet verruimde, en dat ergerlijk was voor elk die het hoorde. Zoo had zij reeds eenige jaren geleefd, zonder dat zij gelegenheid of vermogen had om meer te doen, toen haar ongeluk wilde, dat die gelegenheid zich aanbood.

Onder de andere vrijheden en onderscheidingen die haar waren toegestaan, om het haar te vergoeden dat zij nog niet tot de waardigheid van abdis had kunnen bevorderd worden, was ook dat zij een afzonderlijk verblijf had. Dat gedeelte van het klooster, hetwelk door haar bewoond werd, paalde aan een huis, bewoond door een jongmensch van een erkend slecht levensgedrag, een van 'die velen uit dat tijdperk, die door middel hunner bravo's en hunner betrekkingen met andere booswichten meestentijds den spot konden drijven met de wetten en de openbare macht. Ons handschrift noemt hem eenvoudig Egidio. Deze Geertruida eens gezien hebbende uit een venster, dat uitkwam op een plaatsje van haar kwartier, op het oogenblik dat zij daar overging, of uit verveling rondwandelde, en eer uitgelokt dan afgeschrikt door de gevaren en de onbetamelijkheid van zoodanig eene onderneming, waagde het haar aan te spreken. De ongelukkige antwoordde.

Deze kennismaking verschafte haar in den beginne een genot, dat wel niet rein maar zeker zeer levendig was. Het doodelijk ledig van haar hart werd vervuld door een voorwerp, dat het in eene gestadige en wel zeer hevige beweging hield. Het was als een nieuw leven, dat haar werd ingestort; maar dat leven was als die opwekkende dranken, die de vernuftige wreedheid van sommige oude volken den veroordeelden toediende, om hen geschikt te maken de folteringen waartoe zij bestemd waren des te langer te verduren. Men bemerkte tevens eene groote verandering in haar gedrag. Zij werd in eens bedaarder, geregelder in hare leefwijze, onthield zich van spotternijen en verwijtingen, werd zelfs vriendelijk en beleefd, zoo zelfs dat de zusters elkander met dezen gelukkigen ommekeer van harte gelukwenschten, natuurlijk verre van de ware oorzaak te vermoeden en van in te zien dat die nieuwe deugd eigenlijk niet anders was dan eene vereeniging van een nieuw gebrek, de schijnheiligheid namelijk, met hare oude ondeugden. Doch het was haar ook niet mogelijk, die vertooning, dien uiterlijken schijn lang vol te houden, ten minste op denzelfden voet. Weldra kwamen de oude nukken en grillen weder voor den dag; weldra hoorde men weder, van tijd tot tijd ten minste, de gewone klachten en verwenschingen over de kloostergevangenis, en nu hoorde men die soms in eene taal, welke aan die