Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik moet bekennen, dat het punt van den Prins van Oranje mij nevens UEd. ten hoogst bekommert,.... ja, dat de belofte dienaangaande verlangd, zeker van verscheiden Provinciën, en ook ontwijfelbaar van 't meerendeel niet zal worden verkregen .... dat het zelfs genoegzaam onmogelijk is, dat zulks vanwege de Generaliteit zou kunnen gedaan worden. Doch ik had verwacht, en mij altijd vastelijk voorgesteld, dat de Engelschen de zaak daartoe niet zouden hebben laten komen; dat aan de eene zij, de Staat en zijn respectieve provinciën volstrekt vrij zouden blijven den gen. Prins te bevorderen of niet, naai» hun welgevallen ; maar dat het ook, aan de andere zij, aan die van Engeland vrij zou staan, in cas van zoodanige bevordering, het verdrag op te zeggen of zich daaraan te houden naar hun goeddunken." In 't voorbijgaan zij er hier al op gewezen, hoe weinig grond er later was voor de bewering der anti-Staatsche partij, dat het voorstel betreffende den Prins, oorspronkelijk was uitgegaan van onzen Raadpensionaris; dat deze door zijne agenten daarvoor zou gewerkt hebben op Cromwell. Integendeel, de Witt betoont zich „over dit punt ten hoogste bekommerd"; hij voorzag den storm die de acte van Seclusie tegen hem opwekken zou; en welk voordeel kon hij daarvan voor zijne Staatkunde verwachten ? Doch daarop komen wij later terug.

Maar de Engelschen stonden vast op hun stuk. Zij zeiden „de Prins was hun vijand, een kindskind van hun gewezen koning, met wien zij, evenals met zijn zoon (den Pretendent Kakel II) onverzoenlijk waren." Zoo lezen wij in Aitzema (fol. 903). En het is wel te begrijpen, dat Cromwell, de hoofdschuldige van den koningsmoord, van geen verzoening met de Stuarts wilde weten.

Wat konden onze gezanten tegenover zoo hardnekkigen tegenstand verder doen ? Evenwel, geheel vruchteloos bleven hunne bemoeiingen niet. De Engelschen moesten ten laatste wel inzien, hoe onaannemelijk het bewuste artikel voor onze regeering moest zijn. En daar zij zelf ook naar vrede

Sluiten