Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mat. 13. f. 50.

Joa. 16.b.20. *4. Es.7.b.l8. Apo. 7. b. 17.

Fol. 88 v".

Ro. 14. b. 16. Matt. ll.d.29. * Ecc. 7. d. 39.

1. Tes. 5. c.25. Mat. 15. a. 9.

Dus onse lieue Broeders, oftmen ons eenighe meerder doodt doen wilde, soo en wilt v daer niet in verschricken, wantmen in een vierendeel huers veel doen can, tis noch veer van de t helsche pijn, ende onghelijck te verghelijcken der toecomender vruechden, want nae dat wy dese t bangicheyt gheleden hebben, ende die * engicheyt gepasseert zijn, soo zijn wy verwachtende die blijschap ende ruymte, dan salmen ons alle tranen af wasschen, ende daer na en sullen wy niet meer wenen of schreyen, maer van die eene vruecht in dander ghaen.

Och mijn Broeders, wilt v daer nae // schicken om te comen tot zijnder vruechden. Leydt voortaen een Christelijck leuen, ende maeckt dattet t Euangelium om uwen wille niet ghelastert en wordt. Weest altijt + saechtmoedich, ende hebt een onbeulecte conscientie, * ende in uwen dinghen bedenckt altijt dat eynde, op dat ghy niet en felet. En vergheet niet de vyericheyt der gheestelijcker beteringhe, des beghins des Christelijcken leuens, op dat l), als ghy meynt dat ghy een volcomen Christen zijt, noch beteringhe des leuens noodich sy. Weest Gode beuolen ende het Woort zijnder ghenaden. Wy Jan, Pluyn, Peter, doen v inden Ileere groeten, t Biddet den Heere voor ons,

dat wy onsen loop tot zijnen prijs voleinden Wy bidden ooc voor v.

(I Een Bekentenis oft

verantwoordinge des geloofs van Jan de oude cleercooper, doen hy geuan gen lach tot Antwerpen Anno. 1551 2).

VRage: Wat hout ghy vanden kinderdoop? Antwoort: dat en houde ick nergens voor, dan voor * menschen insettinghe. Yraghe:

1) Het volgende is mij niet duidelijk. Is achter oopdat" »niet" uitgevallen ?

2) Dit is de plaats, op welke ik in de Inleiding hl. '23 heb gewezen; de plaats, waar het Offer des lleeren van een brief slechts een kort fragment opnam, het grootste gedeelte wegliet. Slechts een fragment: 't geen wij nog uit iets anders weten dan alleen uit den abrupten aanvang en het even abrupte slot. De geheele brief is n.1. later in handen gekomen van Jacques Outerman en de andere verzamelaars van het eerste Groote Offerboek, dat van 1015, die hem I, fol. 145—147, afdrukten. Daaruit zien wij ook eerst, dat deze «bekentenis" ontleend is aan een brief, zeker door een der gevangenen aan «zijne lieve vrienden" gerioht. Hij zal in deze uitgaaf der martelaarsbrieven worden opgenomen. Al de volgende uitgaven van het Groote Offerboek evenals Van Braght lieten hem weer weg en bepaalden zich er toe het fragment uit bet Offer tien Ueeren af te drukken.

Nu is het opmerkelijke van 't geval dit. liet Offer den Ueeren laat die gedeelten

Sluiten