Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ronse.

Claes. Fol. 134 v°. Heb. 11. a. G.

Ronse.

Claes.

Mat. 13. d. 29.

Ronse.

Claes.

* Pijlken.

Van wijf en kinders wast gcwach ') Veel drucx quam hem oprijsen.

Den sesten dach quam dOuerheyt Ontbiedende Claes met bescheyt2) Doen ontstack hy van vruechden Vant hert streeck alle swaricheyt In God hy hem verhuechden.

Met vragen hebben sy bestaen 3) Hebt ghy een ander doop ontfaen Dan in v ionge Jaren?

Claes gaf zijn gront te kennen plaen Vrymoedich voor der Scharen.

Hoe is v sulck bedroch geschiet Dat ghy ons heylich Kerck verliet Om datter staet bequame //

t Sonder geloof ist moeglijck niet Te zjjn Godt aengename.

Ghy sout by diens leer blijuen slecht Diet ontfanghen hebben te recht Dienaers der heyliger Kercken Waerom (heeft Claes tot haer gesecht) Doen sy dan Duyuels wercken?

En hoe zijt ghy gheweest so coen Tselfde (dat Godt verbiet) te doen t Vant oncruyt van de velden Men sou goet en quaet laten groen Tot den Oogst, nae Schrifts melden.

Ick can wel gaen langes de cant En plucken een pluexken opt Lant Ja ses oft acht verweruen Thien, twelf, ia hondert metter hant Sonder tgoet te bederuen.

So zijt ghy wijser, en weet bet Dan des Heeren dienaren net Was ick doen een goet Pjjlken Wandelende nae v inset4)

En ben ick nv een quaet * Tjjlken 5).

1) Werd gewaagd, melding gemaakt.

2) Verstand, oordeel; hier een stopwoord om het rijm.

3) Aangevangen, de zaak aangevat.

4) Inzetting, gebod.

5) Zoo in alle uitgaven. «Tijlken" (? het/ellde als «pijlken", «halmpje") schijnt toeu leeds een ongewoon woord te zijn geweest.

Sluiten