Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fol. 196 r".

Mat. 28. c. 19. Mar. 16. b. 15.

Gesterct dat ick scheen snel Een ander mensch te zijne Mijn huysurou die was wel Metten eersten weynich benout Maer alst moest zijn ten fijne Sang sy daer onuerflout.

Siet van haer ginck het vresen Somen een cleet doet wt Vruecht quam wt thert geresen En sy sang ouerluyt //

Pan had ooc wel tot zijn behoef Me ghesongen in desen Mer dacht op daenstaende proef.

Sy vraechden als die dolen Of hy verdoopt was bet ') Hy sprack vry onuerholen Die Propheten en wet Geloof ick alle, en daernaer Dat Christus heeft beuolen En die Apostelsche schaer.

Hy begeerde te blijuen Tot steruens toe daer by En beleedt met verstijuen Voor haer * zijn Dope vry Dus is dat Schaep al metter spoet Ter doot ouergegeuen Van die wree Woluen verwoet.

Siet na zijn eygen spreecken Is hem geen blijder dach Daer op den steen gebleecken Dan hy had sonder wach 2) Wanneer als hy eerst was geuaen En doen zijt oordeel streecken Dat hy ter doot soude gaen.

Hy is al metten sweerde Seer iammerljjck gedoot Denct hoet zjjn huysurou deerde Sy ginck van kinde groot Die na de baring wert verdrenct

1) Om het rijm? «later"? Misschien: »zij vraagden in hunne dwaling, of hij (naar onze zienswijze) beter verdoopt was.''

2) «Zonder dat hij er gewag van, drukte over behoefde te inaken" ? Zooveel als : «zonder twijfel" ?

Sluiten