Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1.Pe. 4. b. 12. Fol. 223 v.

Mat. 5. b. 12.

Gala. 5. b. 17. Acto. 5. e. 42.

2.Tim. 4.b.l7.

Jer. 26. b. 14.

Ecc. 43. d. 43. Act. 5. e. 42.

Gala. 6. b. 19. Fol. 224 r".

* En verwondert v niet, als ghy door het vyer ondersocht wort, recht oft v wat nieus geschiede, maer // verblijt v daer in, dat ghy deelachtich zijt gheworden des lijdens Christi, op dat ghy inden dach zijnder openbaringhe ende heerlijckheyt groote vruecht ende hlijschap hebben muecht, te recht heeft den Apostel ons daer in vermaent, dat wy ons * verblijden souden, want ick macht nv metter waerheydt scrijuen, want het is my nv al ontmoet, sonder de doodt, maer het oordeel is ouer my gegaen: Ten eersten hadde ic groote vruecht na den G heest, als ick in banden ouer gheleuert was, hoe wel dat het * vleysch veel gedachten ende gepeynsen ouer quam, so was ic na den geest verblijt, dat ick daer toe van Godt wtuercooren was, t om voor zijnen naem te lijden. Ende ten tweeden als ick het ghelooue voor de Ouericheyt beleden hadde, ende doen seere gepijnicht was, ende * geuoelde dat God met my was, want hy gaf sulcken cracht, so wat lijden ende tormenten dat sy my deden, soo en creghen sy niet wt mijnen mont, dan dat tot des Heeren prijs diende, ende tot mijnder salicheyt, waer om dat sy toornich waren, ende vraechden, oft ick noch niet seggen en wilde, want (seyden sy) wy hebben macht v alle daeghe aldus te pijnighen. Ick seyde: Het lichaem is te voren l),

* doeter mede dat v lieden belieft. Ende als dit al geschiet was, doen was mijn vruecht noch veel meerder, doen en conste ic des

* Heeren lof niet wtspreecken, nochte hem niet te vollen ghedancken van zijnder genaden die hy my ghaf, dat ick 4- weerdich was om voor zijnen name te lijden, ende het woort met den bloede te bezeghelen, want de * litteyckenen die ick doen ontfinck, ende de pjjne bleef in mijn leden totten laetsten dach toe, de Heere sy eewigen lof, want ickt wel verdient hadde, ghecastijt te zijn om mijn//der sonden ende misdaden wille?). Ende daer nae was ick twee reysen voor eenen Monick gheleyt, Die eerste reyse wilde hy mijn ghelooue weten, Ick seyde: Vraghet de Ouerheyt, voor de welcke iet beleden hebbe, Ende hy begonste veel te verhalen vande menschwerdinghe ende vanden doop. Ende doen hy al geseyt hadde, vraechde ick hem, of hy daer mede zijnen gront beweeren wilde, oft op sulcker wijse dat ick hem vraechde, ende

1) Deze uitdrukking, die mij niet duidelijk is, komt ook in een anderen brief voor. Zij behoort, althans volgens de mij bekende bijbeluitgaven van dien tijd, niet tot Jerem. '26:14. Misschien: ohet lichaam is voor", „staat gereed"?

2) Deze wijze van het zich zei ven te verklaren, waarom juist zij zoo lijden moesten, komt zelden voor. Meestal hebben de martelaars vrede daarmede op grond van andere overwegingen : Inleiding bl. 32 vgg. — Over die folteringen heeft hij, zeker om zijne vrouw te sparen, in de voorgaande brieven niet geschreven; in deze gewaagt hij alleen, tot hare bemoediging, van zijne vreugde over kerkerstraf en aanstaanden marteldood.

Sluiten